Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1679

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
17/4934 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4311, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is sprake van een last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die betrokkene zijn opgedragen als [naam functie] en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt. De compensatie van artikel 3 van de Regeling voorzieningen hondengeleiders politie maakt deel uit van de maandelijkse bezoldiging van betrokkene en dient daarmee noodzakelijkerwijs deel uit te maken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/301
TAR 2018/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4934 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 juni 2017, 16/5532 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 31 mei 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.H. Welter een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.J.M. Suijs. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. Welter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is bij de politie werkzaam in de functie van [naam functie]. In aanvulling op zijn maandelijkse salaris ontvangt betrokkene op grond van de Regeling voorzieningen hondengeleiders politie (Regeling) onder meer een compensatie in geld voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond.

1.2.

Bij besluit van 8 juli 2016 (bestreden besluit) heeft appellant, voor zover thans van belang, het bezwaar tegen de, uit de salarisspecificatie van november 2015 blijkende, inhouding van de compensatie over de vakantieperiode van betrokkene ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant geen vergelijk ziet met de uitspraak van de Raad van 29 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1754. Volgens appellant kan betrokkene aan artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn 2003/88) geen recht ontlenen op compensatie over de vakantieperiode.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepaling over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, de inhouding van de compensatie over de vakantieperiode herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Hiertoe heeft zij het volgende overwogen (voor eiser dient betrokkene te worden gelezen):

“4.1.1. Op grond van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (Richtlijn) treffen de lidstaten de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

Artikel 3 van de Regeling luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
1. Voor de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond heeft de geleider aanspraak op een compensatie in tijd of in geld.

2. (…)
3. (…)
4. De compensatie in geld bedraagt € 256,75 per maand.
5. De compensatie heeft geen betrekking op de noodzakelijke verzorging van de diensthond binnen werktijd.

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling vervalt de aanspraak op de compensatie, bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, in het geval de geleider tijdens vakantie de aan hem toegewezen diensthond niet verzorgt.

4.2.

Niet in geschil is dat eiser een rechtstreeks beroep toekomt op artikel 7 van de Richtlijn.

4.3.

Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet volgens vaste rechtspraak van het Hof worden beschouwd als een bijzonder beginsel van communautair sociaal recht, waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk in de Richtlijn zelf zijn opgesomd (arrest van het Hof van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hoff, punt 22).
Het Hof heeft gepreciseerd dat de woorden ‘jaarlijkse vakantie met behoud van loon’ in de zin van artikel 7 van de Richtlijn betekenen dat het loon gedurende de jaarlijkse vakantie in de zin van de Richtlijn moet worden doorbetaald en dat de werknemer voor deze rustperiode zijn normale loon dient te ontvangen. Het vereiste van betaling van vakantieloon heeft tot doel, de werknemer tijdens de jaarlijkse vakantie in een situatie te brengen die qua beloning vergelijkbaar is met de situatie tijdens de gewerkte periodes (arrest van het Hof van 16 maart 2006, C-131/04 en C-257/04, Robinson-Steele, punten 50 en 58, en het arrest van het Hof van 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hoff, punten 58 en 60).

In het verlengde hiervan heeft het Hof in het arrest Williams (van 15 september 2011, C‑155/10) geoordeeld dat het vakantieloon in beginsel dient overeen te komen met het gebruikelijke arbeidsloon van de werknemer. Hieruit volgt dat een als vakantieloon betaalde financiële vergoeding die nog net zo hoog is dat geen redelijke kans bestaat dat de werknemer zijn jaarlijkse vakantie niet opneemt, niet aan de Unierechtelijke eisen voldoet (punt 21).

Het Hof heeft in het arrest Williams verder geoordeeld hoe het gebruikelijke loon moet worden bepaald wanneer de door de werknemer ontvangen beloning bestaat uit verschillende componenten. In dat geval moet bij de bepaling van het bedrag waarop deze werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie een specifieke analyse worden uitgevoerd (punt 22). Hoewel de structuur van het gebruikelijke loon van een werknemer als zodanig valt onder de bepalingen en gebruiken van het recht van de lidstaten, mag zij geen weerslag hebben op het recht van de werknemer om gedurende zijn periode van rust en ontspanning vergelijkbare economische omstandigheden te genieten als die rond de verrichting van zijn arbeid (punt 23).

Elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt, wordt volgens het Hof gerekend tot de globale beloning van een werknemer, die noodzakelijkerwijs deel moet uitmaken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie (punt 24). In dit verband wordt opgemerkt dat voor de woordcombinatie ‘any inconvenient aspect’ het Nederlandse begrip ‘last’ wordt gebruikt.

4.4.

In het licht van het arrest Williams is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die eiser zijn opgedragen als [naam functie] en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt. Uit artikel 3, eerste lid, van de Regeling en uit de toelichting op dit artikel volgt dat eiser permanent verantwoordelijk is voor de diensthond, zowel tijdens de dienst als in privétijd. De compensatie heeft betrekking op de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd. De diensthond moet immers ook buiten werktijd verzorgd worden. Daarnaast, zo volgt uit de toelichting, heeft het houden van een diensthond op het woonadres invloed op de thuissituatie, hetgeen een extra verantwoordelijkheid met zich brengt. Eiser heeft hierover ter zitting verklaard dat deze permanente verantwoordelijkheid voor hem en zijn gezin een vergaande beperking met zich brengt ten aanzien van hun dagelijks leven. Zo dient eiser te voldoen aan strikte regels omtrent het verblijf en vervoer van de diensthond. Hij mag bijvoorbeeld niet met de diensthond op het strand lopen en mag de hond ook niet meenemen op vakantie. De diensthond moet in een kennel blijven. Als eiser geen kennel heeft die voldoet, mag hij niet op vakantie. Die permanente verantwoordelijkheid houdt niet op als eiser op vakantie gaat; ook al verzorgt hij de diensthond op dat moment niet zelf en verblijft deze in een geschikte kennel, dan nog blijft eiser verantwoordelijk voor de diensthond. De last gaat dus niet over op een ander. Als zich tijdens eisers vakantie een incident voordoet waarbij de hond betrokken is, kan eiser daarop immers worden aangesproken.

4.5.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat is voldaan aan de voorwaarde dat een zekere mate van bestendigheid aanwezig is van betaling van de compensatie, bezien over een representatieve periode, moet de compensatie naar het oordeel van de rechtbank worden gerekend tot het gebruikelijke loon van eiser. Gelet hierop heeft eiser op grond van artikel

7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 recht op doorbetaling van deze compensatie tijdens zijn jaarlijkse vakantie.”

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen rechtsoverweging 4.4 van de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij, in het licht van het arrest Williams, heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van een last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die betrokkene zijn opgedragen. Appellant heeft hiertoe het volgende aangevoerd. De last waar het hier om gaat betreft de permanente verantwoordelijkheid voor de diensthond: de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd. Er kan voor gekozen worden deze last niet te hebben, in zoverre dat de [naam functie] tijdens de vakantie de keuze heeft om de hond bij zich te houden of onder te brengen in een pension dan wel bij een collega-[naam functie]. Er is een wezenlijk verschil tussen de last van de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd en de last van overwerk of consignatie, waarover de Raad in zijn uitspraak van 29 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1754, heeft geoordeeld. De last van de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd is immers over te dragen en de last van overwerk en consignatie niet. Hiernaast is, anders dan bij de last van de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd, de last van overwerk en consignatie letterlijk uitvoering van de opgedragen taken en vindt deze last plaats tijdens werktijd. Appellant heeft er verder op gewezen dat de compensatie op grond van artikel 3 van de Regeling niet alleen in geld, maar ook in tijd kan worden verleend. Indien een medewerker vakantieloon moet worden betaald opdat hij financieel niet ontmoedigd wordt om vakantie op te nemen, ziet appellant bij een vergoeding in tijd die tijdens vakantie niet wordt toegepast geen probleem, omdat er dan immers geen financieel nadeel is. Appellant heeft er tot slot op gewezen dat het doel van de compensatie van artikel 3 van de Regeling het toekennen van een vergoeding voor de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd is. Indien deze verzorging en verantwoordelijkheid er niet zijn, omdat men de hond niet heeft, acht appellant het niet meer dan logisch dat de compensatie hiervoor niet hoeft te worden betaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke regelgeving en rechtspraak verwijst de Raad naar de onder 2 weergegeven aangevallen uitspraak.

4.2.

Uit de toelichting op artikel 3 van de Regeling (Stc. 2010, nr. 7966) volgt dat de compensatie aan de [naam functie] wordt verleend voor de verzorging van en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd en voor de extra verantwoordelijkheid in verband met de invloed die het houden van een diensthond op het woonadres op de thuissituatie heeft. Dit brengt mee dat de rechtbank, anders dan appellant heeft betoogd, terecht heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval sprake is van een last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die betrokkene zijn opgedragen als [naam functie] en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt. De compensatie van artikel 3 van de Regeling maakt deel uit van de maandelijkse bezoldiging van betrokkene en dient daarmee noodzakelijkerwijs deel uit te maken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie.

4.3.

De stelling van appellant dat een [naam functie] tijdens zijn vakantie de keuze heeft om de last niet te hebben, omdat hij de diensthond bij een pension of collega-[naam functie] kan onderbrengen, treft geen doel. Het recht op ‘jaarlijkse vakantie met behoud van loon’ in de zin van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 houdt immers in dat het loon gedurende de jaarlijkse vakantie in de zin van de richtlijn moet worden doorbetaald en dat de werknemer voor deze rustperiode zijn normale loon dient te ontvangen. Een [naam functie] dient gedurende zijn periode van rust en ontspanning vergelijkbare economische omstandigheden te genieten als die rond de verrichting van zijn arbeid. Dat een [naam functie] de keuze heeft om de diensthond tijdens de vakantie zelf te verzorgen dan wel elders onder te brengen, is voor het recht op de compensatie over de vakantieperiode dan ook niet van belang. Hetzelfde geldt voor het door appellant gestelde verschil tussen de last van de verzorging en verantwoordelijkheid voor de diensthond in privétijd en de last van overwerk en consignatie.

4.4.

Voor zover appellant van opvatting is dat, in het geval de compensatie in tijd wordt verleend, een inhouding van die compensatie bij het niet verzorgen van de diensthond tijdens de vakantie geen strijd met artikel 7 van Richtlijn 2003/88 oplevert, kan die opvatting hier buiten bespreking blijven. Vaststaat immers dat betrokkene in het onderhavige geval een compensatie in geld heeft ontvangen.

4.5.

Het door appellant gedane beroep op het doel van artikel 3 van de Regeling kan tot slot niet afdoen aan het recht dat betrokkene op grond van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 toekomt.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.M. Pasmans

IJ