Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
14/1768 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het medisch advies van 20 oktober 2015, zoals aangevuld op 5 februari 2016, en wat is overwogen onder 3.2 heeft CIZ het bij de tussenuitspraak vastgestelde gebrek in het bestreden besluit hersteld. Dit betekent dat CIZ de AWBZ-zorg met ingang van 13 mei 2011 terecht heeft beëindigd. Eerst in hoger beroep een afdoende onderzoek en deugdelijke motivering. Aangevallen uitspraak vernietigd met instand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 1768 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 februari 2014, 11/3796 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

Datum uitspraak: 22 mei 2018

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 14 januari 2015 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2015:43, gedaan (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft CIZ een medisch advies van 20 oktober 2015 ingezonden.

CIZ heeft een nader stuk ingediend.

Namens appellant heeft mr. P.A.A. Smits, advocaat, als zienswijze een reactie op het medisch advies gegeven.

CIZ heeft een aanvullend medisch advies van 5 februari 2016 ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad CIZ opgedragen nader (medisch) onderzoek te verrichten naar de beperkingen die appellant ondervindt als gevolg van psychische en lichamelijke klachten, alsmede naar de vraag of behandeling voor deze klachten voorliggend is. Indien sprake is van matige of ernstige beperkingen op de relevante gebieden van het functioneren en behandeling voorliggend is, dient CIZ ook in de beoordeling te betrekken of begeleiding naast of vooruitlopend op behandeling is aangewezen.

1.2.

Medisch adviseur L. Cornelissen‑Houben heeft appellant op 17 maart 2015 onderzocht. Vervolgens heeft ook klinisch geriater M.A.J. Kuijpers‑de Vries appellant op verzoek van CIZ op 1 juni 2015 onderzocht en haar bevindingen neergelegd in een rapport van 13 juli 2015. In het medisch advies van 20 oktober 2015 heeft Cornelissen‑Houben, mede onder verwijzing naar het rapport van de klinisch geriater, geconcludeerd dat er geen dwingende medische reden is om het medisch advies van 6 september 2011 te wijzigen en zij heeft daartoe het volgende opgemerkt. Appellant ervaart, zoals reeds bekend was, beperkingen in zijn mobiliteit bij aanwezige passiviteit en fysieke inactiviteit. Mogelijk speelt vitaminedeficiëntie hierbij een rol en suppletie van de vitamines is voorgeschreven. Door gebruik te maken van loophulpmiddelen kan het valgevaar bij de verminderde mobiliteit afgewend worden. Tevens is activatie aangewezen, ter versterking van de spieren en ter behoud en opbouw van spierconditie. Begeleiding door fysiotherapie kan appellant helpen in de opbouw van zijn mobiliteit. Valtraining kan hiervan een onderdeel uitmaken. Appellant moet met gebruik van woonvoorzieningen in staat worden geacht zelf zijn ADL te kunnen uitvoeren, gedoseerd en verdeeld over de dag en de week. De psychiatrische problematiek leidt tot passiviteit, ook in de uitvoering van de ADL. Van adequate behandeling gericht op de psychiatrie is vermindering van depressieve klachten te verwachten met als gevolg vermindering van begeleidingsbehoefte. Eventueel kan, als behandeling binnen de GGZ daadwerkelijk is gestart en voldoende lang aanwezig is, in overleg met de behandelaar beoordeeld worden of er noodzaak is voor aanvullende zorg in de thuissituatie.

2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het medisch advies van 20 oktober 2015 op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. CIZ had eerst navraag moeten doen bij de huisarts van appellant over de door de klinisch geriater geadviseerde behandeling gericht op psychiatrie en suppletie van vitamines. Appellant heeft verwezen naar een schrijven van zijn huisarts van 22 december 2015, waarin deze heeft opgemerkt dat GGZ‑behandeling hem niet zinvol lijkt gezien eerdere behandelingen zonder resultaat. Appellant stelt zich dan ook op het standpunt dat hij is uitbehandeld ten aanzien van zijn psychische klachten en dat er daarom geen sprake is van een voorliggende voorziening.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Uit het aanvullend medisch advies van 5 februari 2016 blijkt dat Cornelissen‑Houben alsnog actuele informatie bij de huisarts heeft opgevraagd. In de verkregen informatie heeft zij geen reden gezien om het medisch advies van 20 oktober 2015 te wijzigen. Uit de informatie van de huisarts concludeert zij dat evaluatie van door de klinisch geriater ingezette behandeling bij de huisarts (nog) niet heeft plaatsgevonden en dat de aangewezen activerende therapie niet is ingezet. Ten aanzien van de psychische problematiek heeft zij opgemerkt dat de klinisch geriater, anders dan de huisarts, behandeling wel aangewezen heeft geacht en dat appellant inmiddels is verwezen naar een Turks sprekende psychiater.

3.2.

Mede gezien deze aanvulling is er geen aanleiding voor het oordeel dat de medische advisering door Cornelissen‑Houben niet zorgvuldig is geweest. Cornelissen‑Houben heeft, onder verwijzing naar het rapport van klinisch geriater Kuijpers‑de Vries, deugdelijk gemotiveerd waarom met adequate behandeling verbetering van onder meer de psychiatrische klachten van appellant is te verwachten en waarom zij de huisarts niet volgt in het standpunt dat behandeling geen meerwaarde heeft. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding Cornelissen‑Houben hierin niet te volgen.

3.3.

Gelet op het medisch advies van 20 oktober 2015, zoals aangevuld op 5 februari 2016, en wat is overwogen onder 3.2 heeft CIZ het bij de tussenuitspraak vastgestelde gebrek in het bestreden besluit hersteld. Dit betekent dat CIZ de zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten van appellant met ingang van 13 mei 2011 terecht heeft beëindigd. Omdat eerst in hoger beroep een afdoende onderzoek en deugdelijke motivering heeft plaatsgevonden zal het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zullen in stand worden gelaten. Gelet hierop bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding geen aanleiding.

4. Er is aanleiding om CIZ te veroordelen in de proceskosten. Deze worden begroot op
€ 1.002,- in beroep en € 1.252,50 in hoger beroep, in totaal € 2.254,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 oktober 2011;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 oktober 2011 in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

  • -

    veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,50;

  • -

    bepaalt dat CIZ aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 163,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.D.F. de Moor

RB