Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
16/3567 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3567 WIA

Datum uitspraak: 30 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 april 2016, 15/6245 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J.M. Harbers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B.E. Crone en ing. R.B. van Vliet, register arbeidsdeskundige. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als voorbereider. Op 3 juli 2013 is hij uitgevallen wegens rugklachten (spondylolisthesis). In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 9 juni 2015 is appellant onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts. In een rapport van 10 juni 2015 is deze verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van zijn rugklachten en hooikoorts beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 juni 2015. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in een rapport van 12 juni 2015 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van voorbereider maar nog wel geschikt voor drie andere functies. Op basis van die drie functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 18 juni 2015 is vastgesteld dat appellant met ingang van 3 juli 2015 geen recht heeft op een

WIA-uitkering.

1.2.

In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij iedere dag als gevolg van zijn rugklachten veel pijn heeft en overdag zo nu en dan moet rusten. Voorts is hij slechts in staat om tien á vijftien minuten achtereen te staan, te zitten of te lopen. Hij heeft dan ook meer beperkingen dan in de FML zijn vastgesteld en acht de voor hem geselecteerde functies niet geschikt.

1.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 3 juli 2015 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellant vastgestelde FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geselecteerd en heeft in zijn rapport van 26 oktober 2015 op basis van de drie functies met de hoogste lonen – te weten samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar met SBC-code 267050, gereedschapsmaker (beginnend) met SBC-code 264050 en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine met SBC-code 271093 – de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op eveneens minder dan 35%. Bij besluit van 29 oktober 2015 is het door appellant tegen het besluit van 18 juni 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant herhaald dat hij als gevolg van zijn rugklachten meer beperkingen heeft en dat de geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn. Hij is van mening dat hij in deze functies te lang achtereen moet zitten. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft hij een Evaluatierapportage Re-integratie en deskundigenberichten van voormelde register arbeidsdeskundige Van Vliet overgelegd.

2.2.

Het Uwv heeft in beroep een tweetal rapporten van 14 december 2015 en 2 februari 2015 (lees: 2016) van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd, waarin is gereageerd op de gronden van appellant.

3. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij naast beperkingen als gevolg van rugklachten tevens beperkingen heeft als gevolg van een kleurzienstoornis en diverse allergieën. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij nadere medische informatie ingebracht. Voorts heeft hij gesteld dat hij niet geschikt is voor de functie van gereedschapsmaker (beginnend) omdat hij in deze functie 45 minuten achtereen moet zitten. Ook acht hij deze functie niet geschikt als gevolg van de kleurzienstoornis. Om deze reden acht hij ook de functie van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar niet geschikt. Ter onderbouwing van het standpunt dat hij niet geschikt is voor deze functies, heeft hij nadere rapporten van voormelde Van Vliet ingebracht.

4.2.

De kleurzienstoornis van appellant is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding geweest om de voor appellant vastgestelde FML op 9 augustus 2017 aan te passen in die zin dat alsnog op het item zien (2.1) van de FML een beperking is opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in hoger beroep in eerste instantie met een rapport van 11 juli 2016 gereageerd op het standpunt van appellant dat hij in de functie van gereedschapsmaker te lang achtereen moet zitten. Vervolgens heeft hij, nadat de FML was aangepast, in een tweetal rapporten van 3 oktober 2017 en 5 december 2017 te kennen gegeven dat de nadere beperking geen belemmering voor appellant vormt om de geselecteerde functies te verrichten. Het bestreden besluit is daarom gehandhaafd.

5. De Raad komt tot het volgende oordeel.

5.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant onderzocht en heeft bij zijn beoordeling de beschikking gehad over informatie uit de behandelend sector. Tevens heeft deze arts de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie in zijn beoordeling betrokken. Daarmee heeft een zorgvuldig onderzoek plaatsgevonden naar de medische situatie van appellant. Voorts wordt geoordeeld dat de in de FML van 9 augustus 2017 vastgestelde beperkingen niet voor onjuist kunnen worden gehouden. Als gevolg van de rugklachten zijn bij appellant beperkingen aangenomen op de items beschermende middelen, trillingen, (frequent) buigen, duwen/trekken, tillen/dragen, frequent zware lasten hanteren, lopen (tijdens werk), trappenlopen en klimmen, zitten (tijdens werk), staan (tijdens werk) en gebogen/getordeerd actief zijn, waarbij onder meer is vastgesteld dat appellant niet langer dan een half uur achtereen kan zitten. Voorts is een beperking vastgesteld als gevolg van de hooikoorts van appellant. Daarnaast is als gevolg van de kleurzienstoornis in hoger beroep nog een beperking op het item zien vastgesteld. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan niet worden vastgesteld dat daarmee de beperkingen van appellant zijn onderschat. Dit betekent dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

5.2.

Uitgaande van de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de FML van 9 augustus 2017 wordt geoordeeld dat appellant in medisch opzicht geschikt moet worden geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Daarvoor wordt verwezen naar het Resultaat functiebeoordeling en de voormelde rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, waarin de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren in de functies voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn toegelicht. Daaruit blijkt onder meer dat appellant in de functie van gereedschapsmaker naar believen kan vertreden zodat in deze functie van een overschrijding van de belastbaarheid op het item zitten geen sprake is. Ook is daarin gemotiveerd uiteengezet dat de kleurzienstoornis geen belemmering voor appellant vormt om deze functie uit te oefenen, waarbij in overweging is genomen dat bij appellant geen sprake is van kleurenblindheid maar van een zeer milde vorm van rood-groenkleurzienstoornis. Eveneens is uiteengezet dat de kleurzienstoornis geen belemmering voor appellant vormt om de functie van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar te verrichten. Het vorenstaande betekent dat de gronden van appellant gericht tegen de geschiktheid van deze twee functies niet slagen en dat het bestreden besluit ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS