Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
16/3152 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In bezwaar is de FML van 3 maart 2015 aangepast door alsnog vast te stellen dat appellant op de items trappenlopen en klimmen beperkt moet worden geacht. Bij nader inzien acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze aanpassing onjuist. Een dergelijke wijziging van de FML in dit stadium van de procedure acht de Raad niet geoorloofd. In strijd met de rechtszekerheid en de goede procesorde en behelst een onbegrijpelijke wijziging van de eerder – bewust – vastgestelde beperking op dit punt. De functie van inpakker vervalt en daarmee wordt niet meer voldaan aan de in 4.1 gestelde voorwaarde van drie SBC-codes. Het bestreden besluit mist een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3152 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
30 maart 2016, 15/7035 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2018. Namens appellant is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker. Nadat appellant zich eerder ziek had gemeld en weer hersteld was verklaard, heeft hij zich, terwijl hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, op 17 maart 2014 wederom ziek gemeld met knie- en rugklachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 3 maart 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 maart 2015. Op basis van deze FML is een arbeidsdeskundige in een rapport van
16 maart 2015 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen functie van schoonmaker maar nog wel geschikt voor een viertal andere functies. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft hij berekend dat appellant 98,01% van zijn maatmanloon kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 16 maart 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 17 april 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3.

Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 7 augustus 2015 de FML gewijzigd in die zin dat hij appellant op de items trappenlopen en klimmen beperkt heeft geacht in plaats van licht beperkt, zoals is vastgesteld in de FML van 3 maart 2015. In een daaropvolgend rapport van 14 augustus 2015 is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat een tweetal voor appellant geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn. Op basis van drie functies – te weten inpakker met SBC-code 111190, productiemedewerker metaal- en elektro-industrie met SBC-code 111171 en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) met SBC-code 111010 – heeft hij berekend dat appellant 95,76% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Na een aanvullend onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 24 september 2015 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Hij heeft gesteld dat hij als gevolg van zijn medische situatie niet geschikt is voor de geselecteerde functies.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19a, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Dit betekent dat de berekening van de verdiencapaciteit moet zijn gebaseerd op minstens drie SBC-codes met minimaal drie arbeidsplaatsen per SBC-code en in totaal ten minste negen arbeidsplaatsen.

4.2.1.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad over de geschiktheid van appellant voor de functie van inpakker met SBC-code 111190 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 16 april 2018 tot de conclusie gekomen dat hij in bezwaar op 7 augustus 2015 de FML van 3 maart 2015 ten onrechte heeft aangepast door alsnog vast te stellen dat appellant op de items trappenlopen en klimmen beperkt moet worden geacht. Bij nader inzien acht hij deze aanpassing onjuist. In een FML van 16 april 2018 heeft hij dan ook deze wijziging ongedaan gemaakt en heeft hij vastgesteld dat appellant, evenals in de FML van 3 maart 2015, op de items trappenlopen en klimmen licht beperkt moet worden geacht.

4.2.2.

Een dergelijke wijziging van de FML in dit stadium van de procedure acht de Raad niet geoorloofd. Een en ander is in strijd met de rechtszekerheid en de goede procesorde en behelst een onbegrijpelijke wijziging van de eerder – bewust – vastgestelde beperking op dit punt. Dit betekent dat bij de beoordeling van het bestreden besluit uitgegaan dient te worden van de belastbaarheid zoals die in de FML van 7 augustus 2015 is vastgelegd. Nu het Uwv, gelet op de in deze FML vastgestelde belastbaarheid op het item trappenlopen, er niet in geslaagd is om aan te tonen dat appellant geschikt is voor de functie van inpakker, waarin appellant tijdens 3 werkuren één keer 30 treden achtereen moet traplopen, betekent dit dat deze functie ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Dit betekent tevens dat niet meer wordt voldaan aan de in 4.1 gestelde voorwaarde van drie SBC-codes.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist en wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.

4.4.

Gelet op het feit dat het Uwv niet in staat is gebleken een andere geschikte functie voor appellant te selecteren, zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf voorzien en het besluit van 16 maart 2015 herroepen. Daarmee vervalt de beëindiging van de ZW-uitkering per 17 april 2015.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 september 2015;

  • -

    herroept het besluit van 16 maart 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 september 2015;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
    € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

SSa