Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
16/3418 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing kostendelersnorm. Herhaling van de gronden. PW biedt geen ruimte voor afwijking in verband met onbillijkheid van overwegende aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3418 PW

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 6 april 2016, 15/7804 en 16/1777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. G.J.P.C.G. Verheijen heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 16/3417 PW plaatsgehad op 17 april 2018. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt een onvolledig ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). In aanvulling hierop ontvangt appellante bijstand, laatstelijk in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft haar hoofdverblijf in dezelfde woning als haar meerderjarige zoon.

1.2.

Bij besluiten van 23 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2015 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellante met toepassing van de kostendelersnorm op grond van artikel 22a, eerste lid, van de PW met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot 50% van de gehuwdennorm voor pensioengerechtigden en de over de maand juli 2015 teveel uitgekeerde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 324,50 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat niet in geschil is dat appellante en haar zoon in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben en dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie zoals omschreven in artikel 22a, derde dan wel vierde lid, van de PW zodat de Svb gehouden was de kostendelersnorm toe te passen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 22a van de PW (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 4) volgt dat bij de bepaling van de hoogte van de kostendelersnorm wordt gekeken naar alle meerderjarige personen in de woning. De aard van het inkomen van elk van de afzonderlijke inwonenden speelt hierbij geen rol evenmin als de vraag of betrokkenen daadwerkelijk bijdragen in de kosten. Dat de zoon van appelante feitelijk niet meedeelt in de kosten en wat hiervan de redenen zijn, is voor de toepassing van de kostendelersnorm dan ook niet relevant. De toepassing van de kostendelersnorm is dwingendrechtelijk van aard zodat er geen ruimte is voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Svb met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de AIO-aanvulling dient af te stemmen op een hoger bedrag. De Svb was tevens bevoegd de bijstand van appellante vanaf 1 juli 2015 te herzien en de over de maand juli 2015 teveel betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 324,50 terug te vorderen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Evenals in bezwaar en beroep stelt zij zich op het standpunt dat er redenen zijn om de kostendelersnorm niet op haar van toepassing te verklaren. Als gevolg van ernstige lichamelijke beperkingen is zij aangewezen op zorg door haar zoon. Door toepassing van de kostendelersnorm kan zij bovendien haar hulpverlening en medicatie niet meer bekostigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad voegt hieraan toe dat hij in zijn uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3869, heeft geoordeeld dat de PW geen grondslag biedt voor afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bovendien heeft de wetgever nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met woningdelers los staan van de redenen waarom men de woning deelt. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/2014, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). De zorg die appellante stelt te krijgen van haar zoon kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat de Svb met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm afwijkt. Dat zij door toepassing van de kostendelersnorm onvoldoende financiële middelen overhoudt voor de bekostiging van haar hulpverlening en medicatie levert, nog daargelaten dat appellante deze stelling verder niet heeft onderbouwd, evenmin een zeer bijzondere situatie op. Deze kosten kunnen niet worden gerekend tot de algemene kosten van het bestaan waarop de algemene bijstand ziet.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en A. Stehouwer en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) C.A.E. Bon

RH