Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
15/2713 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de dienstbetrekking eerst door de ziekmelding is geëindigd, was de werknemer ten tijde van het intreden van het verzekerde risico nog in dienst van appellante, zodat hij uit hoofde van die dienstbetrekking was verzekerd voor de ZW. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0053
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 2713 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
31 maart 2015, 14/5764 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid)

Datum uitspraak: 24 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden, waarop appellante heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016. Namens appellante is Van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. de Rooy-Bal.

Na de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het onderzoek is heropend. Het Uwv heeft nadere stukken ingezonden, waarop appellante heeft gereageerd. Het Uwv heeft tevens vragen van de Raad beantwoord.

De zaak is opnieuw ter zitting behandeld op 12 april 2018. Namens appellante is Van Baarlen verschenen. Het Uwv, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante ter zitting van 12 april 2018 om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) door de bestuursrechter, heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

[naam werknemer] (de werknemer) heeft vanaf 15 augustus 2006 gewerkt bij
[werkgever] in de functie van [functie A]. Het dienstverband is door middel van een vaststellingsovereenkomst met ingang van 22 februari 2013 geëindigd. Bij besluit van
18 februari 2013 heeft het Uwv de werknemer met ingang van 25 februari 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

De werknemer is per 25 maart 2013 in dienst getreden bij appellante als [functie A] op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding. Op 6 mei 2013 heeft de werknemer zich met ingang van 20 april 2013 bij het Uwv ziek gemeld in verband met psychische klachten.

1.3.

Bij besluit van 19 juli 2013 heeft het Uwv, nadat hem nog gedurende dertien weken zijn WW‑uitkering als bedoeld in 1.1 was doorbetaald, de werknemer met ingang van 20 juli 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). De werknemer heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit in verband met de vaststelling van de hoogte van het dagloon van zijn ZW‑uitkering.

1.4.

Tijdens deze bezwaarprocedure heeft het Uwv onderkend dat de werknemer in de weken voor zijn ziekmelding arbeid heeft verricht in dienst van appellante. In afwachting van het resultaat van een nader onderzoek hiernaar heeft het Uwv de werknemer bij besluit van
20 september 2013 een voorschot toegekend op de ZW-uitkering met ingang van 24 april 2013.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 26 november 2013 heeft het Uwv het bezwaar van de werknemer tegen het besluit van 19 juli 2013 ongegrond verklaard en hem meegedeeld dat hij geen recht heeft op een ZW‑uitkering vanaf 20 juli 2013 op basis van zijn WW-uitkering.

1.6.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft het Uwv de werknemer met ingang van 24 april 2013 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de werknemer tot 21 april 2013 in dienst is geweest bij appellante. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.7.

Bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de werknemer niet doorlopend arbeidsongeschikt is geweest vanaf zijn eerdere ziekmelding per 24 augustus 2011. Volgens het Uwv was de werknemer in augustus 2012 volledig hersteld en is hij arbeidsgeschikt gebleven totdat hij op 20 april 2013 opnieuw is uitgevallen. Dat zijn eerdere werkgever ([werkgever]) de werknemer nooit hersteld heeft gemeld bij het Uwv is daarbij niet relevant. In de week dat de werknemer arbeidsongeschikt is geworden, heeft hij volledig bij appellante gewerkt. In die week had de werknemer daarom geen recht op een WW‑uitkering. De werknemer heeft met appellante een uitzendovereenkomst met uitzendbeding gesloten. In geval van ziekte wordt deze uitzendovereenkomst geacht te zijn geëindigd en is er geen sprake meer van een loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Dit betekent dat de werknemer vanaf 24 april 2013 recht heeft op een ZW‑uitkering, welke is ontstaan vanuit het dienstverband met appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek en de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv voor onzorgvuldig of onjuist te houden. Uit de rapportage van 7 april 2014 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de gegevens uit het dossier, de informatie van de behandelaar van de werknemer en de eigen bevindingen tijdens het spreekuur bij zijn beoordeling heeft betrokken. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat sprake is geweest van volledig herstel in augustus 2012, wordt ondersteund door informatie van voormalig werkgever [werkgever] In de brief van 30 januari 2015 van [werkgever] is opgenomen dat de werknemer per 2 juli 2012 zijn eigen werkzaamheden volledig heeft hervat en dat hij deze werkzaamheden voor de volle 100% is blijven verrichten tot aan het ontslag op 22 februari 2013. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv uit mogen gaan van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en is op goede gronden besloten om de werknemer met ingang van 24 april 2013 in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat de werknemer vanaf zijn ziekmelding bij zijn vroegere werkgever [werkgever] op 24 augustus 2011 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. Daarom heeft het Uwv hem ten onrechte met ingang van
24 april 2013 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid die zou zijn ontstaan tijdens het dienstverband met appellante. Volgens appellante is de werknemer tot en met 19 juli 2013 verplicht verzekerd geweest op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW. De werknemer heeft immers feitelijk tot en met
19 juli 2013 een WW-uitkering ontvangen en het Uwv heeft zijn besluit van 18 februari 2013, waarbij de werknemer met ingang van 25 februari 2013 in aanmerking is gebracht voor een WW‑uitkering, nimmer herzien of ingetrokken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat appellante belanghebbende is in de onderhavige procedure, omdat het (gehandhaafde) besluit van 27 november 2013, waarbij de werknemer met ingang van 24 april 2013 in aanmerking is gebracht voor een ZW-uitkering, van invloed is op de hoogte van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas van appellante.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank, dat de werknemer vanaf 24 november 2011 niet doorlopend arbeidsongeschikt is geweest, wordt onderschreven. Zoals is vermeld in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 april 2014 blijkt uit de informatie van Yulius, de hulpverlenende instantie, van 27 november 2012 aan de huisarts van de werknemer dat hij in augustus 2012 volledig hersteld was te achten van zijn psychische stoornis, dat de behandeling bij Yulius was afgesloten en dat de werknemer ook geen medicatie meer gebruikte. Voorts blijkt uit de brief van [werkgever] van 30 januari 2015 dat de werknemer op 2 juli 2012 zijn werkzaamheden volledig heeft hervat tot aan zijn ontslag per 22 februari 2013 en dat hij tot die datum zijn werkzaamheden net zoals voor zijn ziekmelding heeft verricht. Ook uit de eigen opgave van de werknemer van 13 mei 2013 blijkt dat hij met ingang van 2 juli 2012 zijn werkzaamheden voor [werkgever] volledig heeft hervat. Ten slotte is van belang dat uit de in 1.1 genoemde vaststellingsovereenkomst blijkt dat de tussen de werknemer en [werkgever] gesloten arbeidsovereenkomst per 22 februari 2013 om bedrijfseconomische redenen is geëindigd.

4.3.

Wat appellante heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Appellante heeft al tijdens de procedure in beroep een rapport van verzekeringsarts Özkan van 15 augustus 2014 overgelegd. In dat rapport, dat uitsluitend is gebaseerd op dossierstudie, is geconcludeerd dat gelet op de aard van de diagnoses het niet aannemelijk is dat de werknemer in het tweede deel van 2012 dusdanig was hersteld dat hij zijn werk kon verrichten. Die conclusie is speculatief en niet in overeenstemming met de feitelijke gang van zaken. Daarom kan aan dat rapport niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien.

4.4.

Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat de werknemer ten tijde van zijn ziekmelding op 20 april 2013 verplicht verzekerd was voor de ZW uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij appellante. De werknemer was sinds 25 maart 2013 werkzaam voor appellante op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding. In geval van ziekte eindigt deze overeenkomst van rechtswege zonder dat opzegging is vereist. In het geval van de werknemer betekent dit dat de uitzendovereenkomst ná de ziekmelding op 20 april 2013 is geëindigd. Anders dan appellante stelt, is voor het antwoord op de vraag of de werknemer op grond van artikel 3, eerste lid, van de ZW verplicht verzekerd is voor die wet niet bepalend de situatie op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (22 april 2013) of de eerste uitkeringsdag (24 april 2013), maar het moment waarop het verzekerde risico (de ziekmelding) is ingetreden, te weten 20 april 2013. Nu de dienstbetrekking eerst door de ziekmelding is geëindigd, was de werknemer ten tijde van het intreden van het verzekerde risico nog in dienst van appellante, zodat hij uit hoofde van die dienstbetrekking was verzekerd voor de ZW.

4.5.

Aangezien de werknemer al op grond van artikel 3 van de ZW verplicht verzekerd is voor die wet, wordt niet meer toegekomen aan de stelling van appellante in hoger beroep dat de werknemer een verplichte verzekering zou kunnen ontlenen aan artikel 7, aanhef en onder a, van die wet, omdat hij van 25 februari 2013 tot 19 juli 2013 feitelijk een WW‑uitkering heeft ontvangen.

4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.1.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

5.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang is de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

5.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling in beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.4.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 7 januari 2014 van het tegen het besluit van 27 november 2013 ingediende bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak van de Raad, 24 mei 2018, bijna 4 jaar en 6 maanden verstreken. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou moeten bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna 6 maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is in zijn geheel aan de Raad toe te rekenen. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,- ten laste van de Staat der Nederlanden.

6. Aanleiding bestaat de Staat der Nederlanden te veroordelen in de proceskosten van appellante, voor zover deze kosten zijn te relateren aan het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 250,50
(1 punt x wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek ter zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 250,50.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en C.C.W. Lange en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2018.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) R.H. Budde

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

NW