Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
12-06-2018
Zaaknummer
16/7655 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf niet van tijdelijke aard. Geen recht als alleenstaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7655 PW

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 november 2016, 16/2657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Appellant en zijn gemachtigde zijn, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand sinds 11 juni 2012, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Hij was woonachtig op het adres

[Adres 1] te [woonplaats], maar deze woning werd per oktober 2015 ontruimd. Appellant heeft op 3 november 2015 een wijzigingsformulier ingeleverd bij het college waarop hij heeft vermeld per 13 oktober 2015 tijdelijk te verblijven bij zijn ex-echtgenote en moeder van zijn kinderen, [A] (A) op het adres [Adres 2] p te [woonplaats]. Naar aanleiding van de melding van appellant heeft het college bij besluit van 13 november 2015 het recht op bijstand met ingang van 1 november 2015 opgeschort (besluit 1). Bij besluit van 8 december 2015 (besluit 2) heeft het college de bijstand met ingang 13 oktober 2015 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van 8 december 2015 (besluit 3) heeft het college de bijstand over de periode van 13 oktober 2015 tot en met 31 oktober 2015 tot een bedrag van

€ 560,50 van appellant teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 17 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen besluit 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met A en dat appellant door niet de gevraagde inkomens- en vermogensgegevens van A te overleggen, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden met als gevolg dat vanaf

13 oktober 2015 het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellant tussen 13 oktober en 8 december 2015

(de te beoordelen periode) in de woning van A zijn hoofdverblijf had en op grond daarvan sprake is van een gezamenlijke huishouding van appellant met A.

4.2.

Appellant heeft verklaard per 13 oktober 2015 te verblijven op het adres van A. Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode ook feitelijk daar heeft verbleven. Appellant stelt zich echter op het standpunt dat zijn verblijf bij A niet als hoofdverblijf dient te worden aangemerkt omdat het een tijdelijk verblijf op haar adres betreft. Daarbij heeft appellant verwezen naar de verzamelbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de gemeenten, 2015 nr. 2 van 13 november 2015 over het (niet) toepassen van de kostendelersnorm bij tijdelijk verblijf en heeft hij verzocht om analoge toepassing.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 september 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:3241), volgt uit de memorie van toelichting bij artikel 3 van de

Wet werk en bijstand dat de wetgever bij de begripsomschrijving van de gezamenlijke huishouding er bewust voor heeft gekozen het criterium ‘duurzaam’ niet op te nemen (Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 32). Dat het aspect duurzaamheid geen rol speelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding, betekent niet dat de duur van het feitelijk verblijf geen rol speelt. Uit de memorie van toelichting blijkt namelijk dat het niet opnemen van het duurzaamheidscriterium niet tot gevolg heeft dat een kortdurend verblijf in de woning van een ander al tot een gezamenlijke huishouding leidt. Daartoe dient immers sprake te zijn van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Bij tijdelijk verblijf is daarvan geen sprake. Wanneer sprake is van een kortdurend of tijdelijk verblijf in vorenbedoelde zin is niet nader ingevuld door de wetgever. De vraag of sprake is van een kortdurend of tijdelijk verblijf in dezelfde woning dient dan ook te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij heeft de Raad aangetekend dat de duur van het verblijf één van de omstandigheden is waaruit het hoofdverblijf kan worden afgeleid. Een gezamenlijk hoofdverblijf kan eveneens worden afgeleid uit andere concrete feiten en omstandigheden. Het verplaatsen van persoonlijke bezittingen naar, dan wel het ontvangen van post op het adres van de woning waar betrokkenen gezamenlijk verblijven zijn onder meer omstandigheden die kunnen duiden op het verplaatsen van het hoofdverblijf, zodat in die gevallen ongeacht de duur geen sprake zal zijn van een kortdurend of tijdelijk verblijf.

Er bestaat geen reden over het bovenstaande onder de PW anders te oordelen.

4.4.

Met de rechtbank en het college is de Raad van oordeel dat het verblijf van appellant bij A niet als tijdelijk verblijf kan worden aangemerkt. De woning van appellant aan de Wagenbergstraat is ontruimd, zodat geen mogelijkheid bestond daarnaar terug te keren. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant een nieuwe woning op het oog had of dat hij activiteiten ontwikkelde tot het verkrijgen van een nieuwe woning, zodat niet kan worden vastgesteld dat concreet de intentie bestond door te stromen naar een nieuw adres. Voorts kan gelet op de te beoordelen periode niet worden gesproken van een tijdelijk verblijf van appellant op het adres van A.

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 heeft het college terecht aangenomen dat appellant in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met A en kan appellant niet langer worden aangemerkt als zelfstandig subject van bijstand. Ter zitting in hoger beroep heeft het college een nader standpunt ingenomen en geconcludeerd dat met ingang van

13 oktober 2015 geen recht op bijstand bestond. Dit betekent dat het recht op bijstand in de gehele te beoordelen periode had kunnen worden vastgesteld op nihil. Het college heeft ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen vanaf 13 oktober 2015. Het bestreden besluit berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet hierin echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Het motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd, omdat niet aannemelijk is dat appellant door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit is benadeeld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. Gelet op wat in 4.6 is overwogen, bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 501,- in beroep en op € 501,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.002,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

IJ