Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
06-06-2018
Zaaknummer
16/7216 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is komen vast te staan dat appellante zich heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf. College had door CJIB gestelde betekening van het vonnis moeten onderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7216 PW

Datum uitspraak: 22 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel

van 11 oktober 2016, 15/2266 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Koster.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Op

9 maart 2015 heeft het college van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) informatie ontvangen waaruit blijkt dat appellante zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging

van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel en sinds 6 februari 2015 als voortvluchtig staat geregistreerd.

1.2.

Bij besluit van 20 maart 2015, zoals gewijzigd bij besluit van 23 maart 2015, na

bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 september 2015 (bestreden besluit), heeft het

college, voor zover hier van belang, de bijstand met ingang van 6 februari 2015 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in artikel 13, aanhef, eerste lid en onder b, van de PW.

1.3.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 3 mei 2016 geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het gebrek in de besluitvorming te herstellen. Naar aanleiding hiervan heeft het college inlichtingen ingewonnen bij het CJIB en op grond van

de informatie van het CJIB van 21 juni 2016 het bestreden besluit op 27 juni 2016 van een aanvullende motivering voorzien en zijn standpunt gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit eerst

in beroep - na de tussenuitspraak - voldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft daarom het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, met veroordeling van het college in de proceskosten van appellante in beroep en vergoeding van griffierecht.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij zich niet heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf omdat zij

niet op de hoogte was van de omzetting van de aan haar opgelegde taakstraf naar een vrijheidsstraf. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft verzuimd het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten in bezwaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 6 februari 2015 tot en met 23 maart 2015 (te beoordelen periode).

4.2.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW, heeft geen recht op bijstand degene die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

4.3.

Zoals de Raad in zijn uitspraken van 4 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3691, en

8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4380, heeft geoordeeld, moet onder zich onttrekken als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand worden verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. Het bestuursorgaan dient aannemelijk te maken dat sprake is van een zodanige situatie en mag daarbij in beginsel afgaan op informatie van het CJIB. Deze uitleg geldt ook voor de toepassing van het eensluidende artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW.

4.4.

Bij de beoordeling of appellante zich heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, is het college uitgegaan van de melding van het CJIB dat appellante een gevangenisstraf moet uitzitten in verband met openstaande boetes bij het CJIB en dat appellante sinds 6 februari 2015 voortvluchtig is. Na de betwisting van de onttrekking door appellante heeft de rechtbank bij de onder 1.3 genoemde tussenuitspraak geoordeeld

dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende was en heeft het college in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen. Naar aanleiding hiervan heeft het college het bestreden besluit bij brief van 27 juni 2016 nader gemotiveerd aan de hand van bij het CJIB ingewonnen informatie. Uit de informatie van het CJIB van 21 juni 2016 blijkt, voor zover van belang, dat aan appellante bij vonnis op tegenspraak van 28 september 2013 een taakstraf van vierentwintig uren is opgelegd, waarvan appellante vier uren heeft gewerkt. Verder blijkt hieruit dat de niet gewerkte uren van de opgelegde taakstraf op onbekende datum zijn omgezet in een vervangende hechtenis van tien dagen. De betekening van de omzetting van de taakstraf heeft op 21 juli 2014 niet in persoon plaatsgevonden. De reden van opname in het opsporingsregister op 6 februari 2015 is dat de politie het arrestatiebevel aan het CJIB heeft afgemeld met reden ‘wel ingeschreven, niet woonachtig. De politie heeft derhalve [appellante] niet kunnen informeren/aanhouden.’. Op 25 maart 2015 is in verband met een nieuw GBA-adres opnieuw een arrestatiebevel naar de politie gegaan. Appellante heeft de vervangende hechtenis uitgezeten in de periode van 1 april 2015 tot 11 april 2015.

4.5.

Dat het college in eerste instantie afgaat op de informatie van het CJIB is in beginsel zorgvuldig. Dat laat echter volgens vaste rechtspraak - zie de uitspraak van 4 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3691 - onverlet dat wanneer de uitkeringsgerechtigde de

aldus bevonden onttrekking aan de tenuitvoerlegging gemotiveerd bestrijdt, het zorgvuldigheidsvereiste meebrengt dat het college, in samenspraak met het CJIB, een nader onderzoek dient te verrichten naar mogelijke aanwijzingen dat de uitkeringsgerechtigde zich niet of niet langer aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekt.

4.6.

Appellante heeft gemotiveerd bestreden dat zij zich aan de tenuitvoerlegging van haar vrijheidsstraf heeft onttrokken. In het licht hiervan en gelet op wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen heeft het college onvoldoende onderbouwd dat appellante zich in de te beoordelen periode aan de tenuitvoerlegging van haar vervangende hechtenis heeft onttrokken. Het onderzoek daarnaar is onzorgvuldig geweest. De door het CJIB verstrekte informatie betreffende de ‘betekening omzetting taakstraf niet in persoon’ en de pogingen van de politie tot tenuitvoerlegging, is niet alleen minimaal maar bovendien niet verifieerbaar. Met name is van belang dat de stukken van betekening ontbreken. Uit deze informatie is verder niet af te leiden op welk adres appellante volgens de politie wel ingeschreven stond, maar niet woonachtig was en waarop deze conclusie is gebaseerd. Daarbij is van belang dat appellante heeft gesteld dat zij al jaren op de vlucht was voor haar gewelddadige ex-echtgenoot en dat zij heeft ontkend stukken, waaronder de omzettingsbeslissing, van justitie te hebben ontvangen. Dat appellante wel een deel van de taakstraf heeft voldaan en appellante moet hebben geweten dat aan het niet volledig voldoen van de taakstraf redelijkerwijs consequenties verbonden zouden kunnen worden, betekent niet dat appellante zich ook heeft onttrokken aan deze consequenties.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat niet is komen vast te staan dat appellante zich in de te beoordelen periode heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Dit betekent dat het bestreden besluit, zoals nader aangevuld, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust.

4.8.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, vernietigd moet worden. De rechtbank heeft het bestreden besluit op juiste gronden wegens strijd met

artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, maar ten onrechte aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De Raad kan evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe is onvoldoende informatie voorhanden. Het college zal daarom met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante moeten nemen. Daarbij zal het college tevens een beslissing dienen te nemen op de gevraagde kosten in bezwaar.

4.9.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van

deze uitspraak en bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan

worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag

van € 1.002,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt tot

een bedrag van € 124,-.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.

(getekend) G.M.G. Hink

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

LO