Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
15/4475 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling gestelde bijstandsaanvraag. Geen eerdere afgeronde aanvraag. Dat appellant de brief van 28 augustus 2014 niet tijdig heeft gezien is het gevolg van zijn verblijf in het buitenland. Appellant heeft nagelaten om een derde in te schakelen die tijdens zijn afwezigheid zijn belangen had kunnen behartigen. Dit klemt temeer omdat appellant op 4 augustus 2014 een aanvraag om bijstand had gedaan. Dat appellant niet tijdig kennis heeft genomen van de brief van 28 augustus 2014 en daarom niet tijdig de gevraagde gegevens heeft kunnen inleveren, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4475 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 mei 2015, 14/7851 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 9 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Bouchikhi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouchikhi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

E. Bruinsma.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke schikking te bereiken.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een nader standpunt ingenomen over de door appellant overgelegde stukken en de Raad bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft 4 augustus 2014 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend met als meldingsdatum 17 april 2014. Appellant heeft ingevuld dat hij werkloos is geworden en dat hij met terugwerkende kracht een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen, waar hij momenteel van rondkomt. Als gewenste ingangsdatum heeft appellant 17 april 2014 opgegeven, omdat hij op die datum al een aanvraag om bijstand had ingediend. Verder heeft appellant vermeld dat hij op 16 mei 2014 al een gesprek heeft gehad en dat hij inmiddels in een zogeheten BBL-traject van [instantie] is geplaatst.

1.2.

Bij brief van 13 augustus 2014 heeft het college aan appellant verzocht om voor de behandeling van de aanvraag nog ontbrekende gegevens alsnog in te leveren vóór 22 augustus 2014. Het betreft onder meer de afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen vanaf

17 januari 2013 tot en met heden en de beslissing tot toekenning en beëindiging van de werkloosheidsuitkering. Omdat uit de door appellant ingeleverde bankafschriften bleek dat appellant over nog een bankrekening beschikte die hij niet had vermeld op het inlichtingenformulier, heeft het college appellant bij brief van 28 augustus 2014 verzocht om de nog ontbrekende gegevens over te leggen vóór 8 september 2014. Het gaat om bankafschriften van rekeningnummer [nummer 1] van 17 januari tot en met

28 augustus 2014, bankafschriften van rekeningnummer [nummer 2] met volgnummer [volgnummer] en om het toekenningsbesluit van de WW-uitkering. Het college heeft appellant meegedeeld dat het niet of niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn tot gevolg kan hebben dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Tot slot heeft het college appellant erop gewezen dat, indien hij op tijd aangeeft dat hij de gevraagde gegevens niet tijdig kan inleveren, de inlevertermijn kan worden verlengd.

1.3.

Bij besluit van 15 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 december 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet tijdig heeft voldaan aan het verzoek om de gevraagde gegevens over te leggen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:5, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat op 17 april 2014 al een aanvraag tot stand is gekomen, waarbij hij alle gegevens heeft overgelegd. Dit zou volgen uit een e-mailwisseling tussen de hulpverlener van appellant en [naam 1] , [functie] bij de gemeente Utrecht ( [functie] ). Ook zou dit volgens appellant blijken uit de omstandigheid dat hij inmiddels was geplaatst in een zogeheten BBL-project. Zou hij geen voltooide aanvraag hebben ingediend, dan zou appellant ook niet voor dat BBL-project in aanmerking zijn gekomen. Op grond hiervan mocht appellant erop vertrouwen dat aan hem een uitkering zou worden toegekend.

4.2.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen blijkt uit de gedingstukken weliswaar dat appellant zich op 17 april 2014 heeft gemeld bij werk.nl, maar niet dat deze melding heeft geleid tot een afgeronde aanvraag. Appellant heeft hiervan ook geen bewijs overgelegd, bijvoorbeeld in de vorm van een uitdraai. De omstandigheid dat op 16 mei 2014 een gesprek heeft plaatsgevonden met de [functie] en dat appellant daarna is aangemeld bij [instantie] maakt dat niet anders. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de e-mail van 9 mei 2014 gericht aan de hulpverlener van appellant volgt dat voor appellant eenmalig een uitzondering is gemaakt om een werkgesprek in te plannen. Uit het

e-mailbericht van 25 juli 2014 van de [functie] aan de hulpverlener van appellant, blijkt dat de [functie] tijdens het gesprek op 16 mei 2014 ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat de op 17 april 2014 ingediende aanvraag via werk.nl volledig was afgerond. De [functie] heeft later geconstateerd dat dit niet het geval was, dat het erop lijkt dat appellant het tweede deel van de aanvraag niet had afgemaakt en dat in het registratiesysteem Socrates ook geen aanvraag van appellant bekend was. Vervolgens heeft de [functie] een afspraak ingepland op 4 augustus 2014 om een aanvraag om bijstand te doen. Hierbij heeft de [functie] opgemerkt dat zij hoopt dat het nog goed gaat komen, aangezien appellant al is aangenomen in een BBL-traject bij [instantie] , maar dat hij daar niet kan starten zonder uitkering. Anders dan appellant heeft betoogd, kan hieruit niet worden afgeleid dat sprake moet zijn geweest van een afgeronde aanvraag op 17 april 2014. Evenmin zijn aanknopingspunten voorhanden dat de - voltooide - aanvraag van 17 april 2014 abusievelijk zou zijn gewist. In dit verband heeft het college toegelicht dat een melding die via werk.nl wordt gedaan gedurende een periode van 60 dagen blijft staan. Als binnen die periode niet nogmaals wordt ingelogd – en, zo begrijpt de Raad, de aanvraag wordt voltooid – wordt de melding gewist. Er is geen reden om aan deze toelichting te twijfelen. Appellant wordt niet gevolgd in het standpunt dat hij erop mocht vertrouwen dat hem een bijstandsuitkering zou worden toegekend. Uit het dossier blijkt niet van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging aan appellant die bij hem een gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hem niet eerder dan op 27 augustus 2014 is verzocht om gegevens over te leggen en dat het voor hem niet mogelijk was de in de brief van 28 augustus 2014 gevraagde gegevens binnen tien dagen over te leggen, omdat hij op dat moment in Marokko was.

4.3.1.

Dit betoog slaagt evenmin. Uit de gedingstukken blijkt dat [naam 2] , de hulpverlener en trajectmanager van appellant (hulpverlener), op 27 augustus 2014 stukken, waaronder bankafschriften, heeft gezonden aan het college ten behoeve van de bijstandsaanvraag van appellant. Dat betekent dat appellant in ieder geval bekend moet zijn geweest met het verzoek van het college om nadere gegevens in te leveren. Dat appellant de brief van 28 augustus 2014 niet tijdig heeft gezien is het gevolg van zijn verblijf in het buitenland. Appellant heeft nagelaten om een derde in te schakelen die tijdens zijn afwezigheid zijn belangen had kunnen behartigen. Dit klemt temeer omdat appellant op 4 augustus 2014 een aanvraag om bijstand had gedaan. Dat appellant niet tijdig kennis heeft genomen van de brief van 28 augustus 2014 en daarom niet tijdig de gevraagde gegevens heeft kunnen inleveren, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Gelet op de aard van de gevraagde gegevens, te weten bankafschriften en een kopie van de WW-besluiten, moet de geboden hersteltermijn van tien dagen lang genoeg worden geacht om die gegevens tijdig te kunnen verstrekken.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van

D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

9 mei 2018.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) D.W.M. Kaldenhoven

sg