Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
16/5709 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor een sta-op-stoel. Geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35 lid 1 PW. Er is sprake van een voorliggende voorziening in de vorm van een aanvullende zorgverzekering, die niet alle kosten dekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5709 PW

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland

van 21 juli 2016, 15/2598 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. van Beveren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen beide een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen

naar arbeidsvermogen (WIA). Appellant maakt sinds vijftien jaar gebruik van een zogenoemde sta-op-stoel. Op 17 februari 2005 hebben appellanten voor het laatst een sta-op-stoel aangeschaft, waarvan de kosten geheel door de zorgverzekering zijn vergoed.

1.2.

Op 16 december 2014 hebben appellanten een aanvraag ingediend om bijzondere

bijstand voor de kosten van een sta-op-stoel tot een bedrag van € 500,-. Daarbij hebben appellanten onder meer aangegeven dat zij een occasion sta-op-stoel met een prijs van

€ 1.150,- willen aanschaffen en dat van het bedrag van € 1.150,- een bedrag van € 650,-

door de zorgverzekering wordt vergoed.

1.3.

Bij besluit van 6 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 april 2015 (bestreden besluit), heeft het college een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten van een sta-op-stoel behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die door het eigen inkomen of vermogen moeten worden bestreden. De kosten van een nieuwe sta-op-stoel zijn noodzakelijk, maar deze vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden. Het was voorzienbaar dat de oude

sta-op-stoel op een gegeven moment zou moeten worden vervangen. Er is geen sprake van plotseling optredende omstandigheden waardoor de oude sta-op-stoel eerder dan normaal moet worden vervangen. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor de kosten van een nieuwe sta-op-stoel hebben kunnen reserveren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben aangevraagd zich voordoen en dat deze in de situatie van appellanten noodzakelijk zijn. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. In dat kader hebben appellanten aangevoerd dat zij niet de mogelijkheid hebben gehad daarvoor te reserveren. Appellanten hebben dat niet aannemelijk gemaakt. Appellanten hadden sinds de aanschaf van de laatste sta-op-stoel kunnen voorzien dat deze op enig moment zou moeten worden vervangen. Appellanten ontvangen beide een WIA-uitkering die tezamen meer bedraagt dan de voor hen geldende bijstandsnorm, zodat reserveren tot de mogelijkheden behoort. Dat appellanten, zoals zij hebben gesteld, de aanwezige financiële ruimte hebben aangewend voor andere (extra) kosten in verband met hun medische situatie en die van hun zonen, betreft een eigen keuze van appellanten. Dit kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid om voor de gevraagde kosten bijzondere bijstand te verlenen. Voorts is niet gebleken dat gespreide betaling achteraf niet mogelijk was.

4.3.

Appellanten hebben nog aangevoerd dat het college op grond van zijn buitenwettelijk begunstigend beleid bijzondere bijstand hadden moeten toekennen. Op grond van het door

het college gevoerde beleid, zoals neergelegd in het Handboek Werk en Inkomen, kan bijzondere bijstand voor de kosten van een sta-op-stoel worden verleend tot een bedrag van maximaal € 299,- onder de voorwaarde dat geen sprake is van een voorliggende voorziening. Ook een aanvullende zorgverzekering wordt gezien als een voorliggende voorziening. Appellanten voldoen niet aan deze voorwaarde nu zij een gedeeltelijke vergoeding van de aanvullende zorgverzekering hebben ontvangen voor de kosten van een sta-op-stoel.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het college terecht de aanvraag om bijzondere bijstand heeft afgewezen.

4.5.

Uit 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

LO