Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1565

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
31-05-2018
Zaaknummer
17/6409 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er was sprake van een zodanige impasse dat het college bevoegd was appellant wegens andere redenen van gewichtige aard ontslag te verlenen en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Naar het oordeel van de Raad kan niet van een overwegend aandeel van het college gesproken worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/258
TAR 2018/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6409 AW

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 augustus 2017, 16/6049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J. Brouwer hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. B. van Bon een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Bon en J.K. Lesterhuis.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2008 aangesteld als leraar in het primair onderwijs bij de [Stichting] ( [Stichting] ). In 2013 was hij werkzaam op openbare basisschool (OBS) [naam school 1] voor twee dagen in de week.

1.2.

Op 21 juni 2013 heeft de directeur van OBS [naam school 1] , B, met appellant een functioneringsgesprek gevoerd dat door appellant als zeer onplezierig is ervaren. Op

26 juni 2013 heeft appellant zich ziek gemeld. B heeft op 21 september 2013 een

e-mailbericht naar alle medewerkers van OBS [naam school 1] gestuurd met daarin de mededeling dat appellant zal vertrekken. Op 18 oktober 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden over onder meer de re-integratie van appellant.

1.3.

Op 8 november 2013 heeft appellant zich bij de bedrijfsarts gemeld. Zoals blijkt uit een door [naam] , [functie 1] , aan appellant op 25 november 2013 verzonden brief heeft de bedrijfsarts in zijn verslag vermeld dat bij appellant sprake is van fysieke medische problematiek die geen belemmering vormt voor hervatting in zijn werk. De beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren vormen wel een belemmering voor hervatting van zijn werk voor de klas en de voortduring van de verstoorde arbeidsverhouding belemmert het herstel, zodat de bedrijfsarts heeft geadviseerd een passende oplossing te vinden voor de verstoorde arbeidsverhouding. [naam] tekent hierbij aan dat hij ervan uitgaat dat de bedrijfsarts doelt op de relatie met B en heeft appellant een re-integratieplek op OBS

[naam school 2] aangeboden. Appellant is daar medio januari 2014 gestart.

1.4.

Op 28 mei 2014 hebben appellant en [Stichting] een mediationovereenkomst gesloten. De resultaten van deze mediation zijn in een op 24 juli 2014 gesloten vaststellingsovereenkomst vastgelegd. Daarin is onder meer opgenomen dat [Stichting] zich inspant om een passende

re-integratieplek voor appellant te vinden totdat hij weer volledig arbeidsgeschikt zal zijn en dat daarna een passende werkplek voor hem wordt gezocht binnen [Stichting] , niet zijnde OBS [naam school 1] .

1.5.

Gedurende het schooljaar 2014-2015 heeft appellant re-integratiewerkzaamheden verricht op OBS [naam school 3] .

1.6.

Op 18 november 2014 heeft S, [functie 2] , met appellant afspraken gemaakt over hervatting van het reguliere werk, waarbij onder meer is afgesproken dat appellant voor 1 januari 2015 bij een school wordt geplaatst waar hij met het volledige pakket van een leerkracht wordt belast en, als dit na ongeveer twee maanden goed verloopt, het ziektetraject kan worden beëindigd. Aan het eind van de tweede maand zal een kwaliteitskaart worden opgemaakt. In januari 2015 is appellant gestart op OBS [naam school 4] .

1.7.

Op 27 januari 2015 heeft tussen appellant en S een gesprek plaatsgevonden waarbij appellant heeft verteld te ervaren dat het conflict met B hem wordt nagedragen, dat hij niet voor vol wordt aangezien en dat hij zich voelt alsof hij zich steeds in een beoordelingssituatie bevindt. Op de vraag van S hoe hij nu verder wil, heeft appellant geantwoord dat hij eigenlijk zou willen stoppen, maar vervolgens heeft hij de wens uitgesproken om op een school te worden geplaatst. S heeft hem dit toegezegd als blijkt dat hij het vak van leraar op voldoende niveau beheerst.

1.8.

Op 25 februari 2015 heeft appellant in een e-mailbericht aan (onder meer) Q, [functie 3] bij [Stichting] , te kennen gegeven geen vertrouwen meer te hebben in deze werkgever.

1.9.

Op 23 april 2015 heeft tussen appellant, [functie 4] P en [naam] , [functie 2] , een gesprek over de werkhervatting van appellant plaatsgevonden. Daarbij

heeft [naam] appellant een reguliere werkplek op OBS [naam school 4] geboden en is gesproken over het beëindigen van de ziekmelding van appellant. In het vervolggesprek

dat op 11 juni 2016 heeft plaatsgevonden is op initiatief van appellant gesproken over beëindiging van zijn aanstelling per september/oktober 2015 met als voorwaarde dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) de hersteldmelding accepteert.

1.10.

Bij brief van 31 augustus 2015 heeft het college appellant meegedeeld dat er geen medische gronden zijn op basis waarvan hij zijn werk niet zou kunnen hervatten, zodat

zijn ziekmelding met terugwerkende kracht per 27 oktober 2014 beëindigd is en zijn dienstverband weer regulier is. Het Uwv heeft op 12 oktober 2015 besloten dat appellant

geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat hij binnen de wachttijd van twee jaar weer hersteld is en als

gevolg daarvan de loonsanctie is vervallen.

1.11.

Na daartoe het voornemen kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 29 januari 2016, gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2016 (bestreden besluit), appellant per 1 februari 2016 ontslag verleend op grond van andere redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 4.7, aanhef en onder k, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Primair Onderwijs 2014 (CAO PO). Aan dit ontslag is een aanbod tot een outplacementtraject verbonden ter waarde van € 3.000,-. Aan het ontslagbesluit is ten grondslag gelegd dat, gelet op het feit dat overleg over beëindiging van het dienstverband op initiatief van appellant is gestart en hij daarmee te kennen geeft niet langer voor [Stichting] te willen werken, voortzetting van het dienstverband niet reëel is, zodat sprake is van een impasse. Van een overwegend aandeel van [Stichting] in het ontstaan en voortbestaan van de situatie is geen sprake, zodat er geen aanleiding is een ontslagvergoeding toe te kennen. Weliswaar is er een arbeidsconflict ontstaan, maar daarover is mediation gevoerd en zijn afspraken gemaakt, die het college is nagekomen. Appellant kon zich echter niet meer committeren aan de organisatie en heeft verzocht om ontslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Overwogen is dat

het college gelet op de ontstane impasse bevoegd was appellant ontslag te verlenen en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Van een overwegend aandeel van het college in de impasse is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat appellant niet in aanmerking komt voor een compensatie bovenop de werkloosheidsuitkeringen waarop appellant in verband met zijn ontslag recht heeft.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ambtshalve merkt de Raad op dat hij met de rechtbank van oordeel is, dat de stichting [Stichting] , die belast is met het verzelfstandigde openbaar onderwijs binnen de gemeente Rotterdam, niet als onderdeel van de gemeente of van een gemeenschappelijke regeling is aan te merken, nu er statutair geen sprake is van een overwegende mate van overheidsinvloed. De rechtbank heeft zich dus terecht op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd geacht van dit geschil kennis te nemen, nu de stichting [Stichting] als een “ander bestuursorgaan” als bedoeld in dat artikellid is aan te merken, wat meebrengt dat de woonplaats van appellant bepalend is voor bevoegdheid van de rechtbank.

4.2.

Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college bevoegd was tot ontslag op grond van 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO; zij heeft de aanwezigheid van een impasse ten onrechte gebaseerd op de veronderstelling dat appellant zich niet los heeft kunnen maken van de situatie van voor de vaststellingsovereenkomst.

4.3.

De Raad volgt appellant niet in deze stelling. De gang van zaken overziende kan de Raad, met de rechtbank, slechts constateren dat het college naar vermogen uitvoering heeft gegeven aan de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst. Daartoe behoorde de verspreiding van door appellant geaccordeerde excuusbrieven over de onterechte mededeling dat appellant

niet meer op de formatie van [naam school 1] zou staan. Voorts heeft het bovenschoolse management appellant vanaf de start van het schooljaar 2014-2015 een passende

re-integratieplek geboden bij OBS [naam school 3] , waarbij hem passende begeleiding

is aangeboden ter ondersteuning van het re-integratieproces. Met het oog op een definitieve werkhervatting is appellant vanaf januari 2015 geplaatst bij OBS [naam school 4] . Ondanks de intentie van [Stichting] om tot een volledige werkhervatting te komen, met het oog waarop op 23 april 2015 aan appellant een reguliere werkplek bij OBS [naam school 4] is aangeboden, is van de zijde van appellant vanaf het gesprek van 27 januari 2015 ingezet op beëindiging van zijn aanstelling bij [Stichting] . Uit de gedingstukken, met name uit de verslagen van gesprekken van 27 januari 2015, 23 april 2015 en 11 juni 2015, blijkt ook naar het oordeel van de Raad dat appellant zich niet over de negatieve ervaringen uit het verleden heeft

kunnen heenzetten en hij het noodzakelijke vertrouwen in een nieuwe start niet heeft

kunnen opbrengen.

4.4.

De door appellant geuite kritiekpunten waaruit volgens hem zou blijken dat [Stichting] niet

te vertrouwen was, zijn naar het oordeel van Raad door het college genoegzaam weerlegd. Appellant heeft geen onderbouwing geleverd voor zijn stelling dat het conflict met B hem

nog steeds werd nagedragen. Dat appellant zich voelde alsof hij zich steeds in een beoordelingssituatie bevond lijkt met name te zijn ingegeven door de afspraak op

18 november 2014 dat twee maanden na de werkhervatting een kwaliteitskaart zal worden opgemaakt. Het college heeft onweersproken gesteld dat dit een regulier ontwikkelingsinstrument is om bij docenten te meten op welke punten zij zich nog kunnen verbeteren en dat de uitkomst van een eerdere kwaliteitskaart bij appellant - dat hij als ontwikkelpunten had het gebruik van het directe instructiemodel, het smartboard en ICT - geen reden tot bezorgdheid vormde. Dat appellant enige malen op een andere school werd geplaatst was, naar de Raad begrijpt, mede ingegeven door de wens om appellant een nieuwe start te geven, los van gebeurtenissen uit het verleden. En, tot slot, de verklaring voor het feit dat appellant tegen zijn verwachting niet werd geplaatst op een formatieplaats bij OBS [naam school 4] , ligt volgens het college uitsluitend in de omstandigheid dat bij [Stichting] niet wordt gewerkt met een systeem van formatieplaatsen, maar met een bestuursaanstelling op bovenschools niveau, waardoor leerkrachten bij groei of krimp van scholen flexibel kunnen worden ingezet. Dit is volgens het college een aantal keren tegen appellant gezegd, maar kennelijk niet bij hem overgekomen. De Raad concludeert dat van een achterstelling van appellant in vergelijking met collega’s dus geen sprake was.

4.5.

De Raad komt met de rechtbank tot de slotsom dat sprake was van een zodanige impasse dat het college bevoegd was appellant wegens andere redenen van gewichtige aard ontslag te verlenen en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6.

Daarmee staat de Raad voor de vraag of aan appellant - naast de werkloosheidsuitkeringen waarvoor het college garant staat - een compensatie toekomt voor het aandeel van het college. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) is voor een dergelijke vergoeding in het algemeen slechts aanleiding als voldaan is aan de voorwaarde dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. In dit geval is aan die voorwaarde niet voldaan. Weliswaar komt, zoals de rechtbank heeft overwogen, het ontstaan van de situatie die uiteindelijk tot het ontslag heeft geleid

- de bejegening van appellant door B - voor rekening van het college, maar de vervolgacties van de zijde van het college zijn naar het oordeel van de Raad gericht geweest op het herstel van de arbeidsverhouding en het creëren van een situatie waarin appellant zou kunnen

re-integreren op een passende werkplek bij één van de scholen van [Stichting] . Het is met name de opstelling van appellant geweest die uiteindelijk tot de impasse heeft geleid. Per saldo kan ook naar het oordeel van de Raad niet van een overwegend aandeel van het college gesproken worden.

4.7.

De slotsom luidt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

ew