Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1550

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
30-05-2018
Zaaknummer
16/4340 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een aanvullend rapport op consistente wijze gereageerd op door haar ontvangen informatie van de coördinerend behandelaar bij i-psy en op goed te volgen wijze uiteengezet waarom deze informatie geen aanleiding heeft gegeven om tot een ander standpunt te komen dan zij heeft verwoord in haar rapport van 29 september 2015. Appellante is niet ongeschikt voor het vervullen van de functie van inpakker, omdat deze functie nauwelijks psychisch belastbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4340 ZW

Datum uitspraak: 23 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 mei 2016, 15/5140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer. Op verzoek van de Raad heeft B. Keskin, die appellante op de zitting begeleidde, getolkt voor appellante.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerker voor 16 uur per week toen zij zich op 20 juni 2011 ziek meldde na een auto-ongeval. Het Uwv heeft bij besluit van 22 mei 2013 vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van
17 juni 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante per 17 juni 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht diverse functies te vervullen, waaronder de functie van inpakker. Dit besluit is na bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven. Appellante heeft zich op 11 mei 2015 ziek gemeld met diverse fysieke en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 3 juli 2015 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 8 juli 2015 geschikt geacht voor de in 1.1 genoemde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 3 juli 2015 vastgesteld dat appellante per 8 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

29 september 2015 ten grondslag. Deze arts heeft appellante geschikt geacht voor in ieder geval de eerder geselecteerde functie van inpakker.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat het Uwv een onvolledig beeld had van de situatie van appellante en is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op voldoende inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom appellante geschikt moet worden geacht voor het vervullen van de functie van inpakker.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat sprake is van een verslechterde gezondheid, toegenomen beperkingen en een verminderde belastbaarheid, als gevolg waarvan ze niet in staat was tot het verrichten van arbeid, zoals in de destijds in 2013 geduide functie van inpakker.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Uit het rapport van 29 september 2015 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat bij appellante sprake is van een toename van de bestaande psychische problematiek door gebeurtenissen in de privé-situatie. Het is volgens deze arts plausibel dat deze gebeurtenissen tot spanningen bij appellante hebben geleid en dat appellante hierdoor ook een verergering van de bestaande fysieke klachten heeft ervaren. In een uitgebreid relaas heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens uiteengezet dat en waarom deze verergering van klachten niet tot een toename van de beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft geleid. Deze uiteenzetting is goed te volgen en overtuigt.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een aanvullend rapport van

13 oktober 2015 op consistente wijze gereageerd op door haar ontvangen informatie van de coördinerend behandelaar bij i-psy en op goed te volgen wijze uiteengezet waarom deze informatie geen aanleiding heeft gegeven om tot een ander standpunt te komen dan zij heeft verwoord in haar rapport van 29 september 2015. Vastgesteld wordt dat de informatie van
i-psy niet veel afwijkt van de informatie waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar rapport van 29 september 2015 heeft gebaseerd. De gesprekken met de psycholoog zullen niet eenmaal per maand, maar eenmaal per twee weken plaatsvinden. Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarover opgemerkt dat deze frequentie niet kan worden gezien als een intensieve behandeling waardoor appellante verminderd beschikbaar zou zijn voor arbeid. Ten slotte kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd in haar stellingname dat appellante niet ongeschikt is voor het vervullen van de functie van inpakker, omdat deze functie nauwelijks psychisch belastbaar is.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) R.P.W. Jongbloed

CVG