Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
16/6884 PW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermogen in Turkije. Vermogensonderzoek Utrecht niet in strijd met discriminatieverbod. Risicoprofiel voor onderzoek met geboorteplaats buiten Nederland als selectiecriterium levert “verdacht” onderscheid op. Rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving vormt zeer zwaarwegende reden voor het gemaakte onderscheid. Het toegepaste middel staat in een redelijke verhouding tot dat doel.

2. Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag. Al bestaande onduidelijkheid over vermogen bij aanvraag niet weggenomen. Daarom geen saldering met schulden mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/265
JWWB 2018/162
RSV 2018/151
USZ 2018/215 met annotatie van M.W. Venderbos
RSV 2018/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6884 PW, 16/6885 PW, 16/6886 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 oktober 2016, 15/5514, 16/839 en 16/2010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 5 juni 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de zaken 16/3275 PW, 17/1799 PW, 16/5362 PW en 16/5645 PW plaatsgevonden op 16 januari 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het college - daartoe opgeroepen - heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. Kuus en drs. E.H. Siemeling. Ter zitting was tevens aanwezig de tolk E. Battaloglu. In de hiervoor genoemde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 30 augustus 2010, in aanvulling op de inkomsten uit arbeid van appellant, bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

In het kader van het project ‘Vermogen in het buitenland’ (project) dat op 1 september 2014 is gestart, heeft het college een risicoprofiel opgesteld voor onderzoek. Geselecteerd zijn personen die (1) een geboorteplaats buiten Nederland hebben, en (2) sinds 2010 één of meerdere keren langer dan de toegestane periode - meer dan 28 dagen - met vakantie in het buitenland zijn geweest, en (3) een lopende uitkering ontvangen. Uit de aldus geselecteerde bijstandsgerechtigden heeft het college een steekproef getrokken. Appellanten pasten in het profiel en vielen in de steekproef.

1.3.1.

Onder verwijzing naar het project heeft een handhavingsspecialist van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht (handhavingsspecialist) in oktober 2014 informatie opgevraagd bij appellanten. In opdracht van het college en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) heeft vervolgens het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau Attaché) een onderzoek verricht naar bezit van onroerende zaken van appellanten in Turkije. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek van 9 februari 2015. Hieruit komt het volgende naar voren. Appellant komt in het register onroerende zaakbelasting (OZB) van de deelgemeente [naam gemeente] van de stad [naam stad] voor met een registratie OZB. Volgens deze registratie heeft appellant belastingaangifte gedaan voor een woning op het adres [Adres] te [naam gemeente] in de stad [naam stad] (woning) die hij sinds 30 juli 2009 in zijn bezit heeft en die medio 2014 is verkocht. Bij een bezoek aan dat adres hebben buren bevestigd dat appellant eigenaar van de woning is geweest en hebben zij voorts verklaard dat de woning is verkocht aan een onbekende nieuwe eigenaar, maar dat de huurders hetzelfde zijn gebleven. Een taxateur heeft op 19 januari 2015 de woning getaxeerd op 65.000 Turkse Lira (TL), wat omgerekend neerkomt op € 23.902,-.

1.3.2.

Bij brief van 7 april 2015 heeft de handhavingsspecialist, onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van Bureau Attaché, appellanten uitgenodigd voor een gesprek op 13 april 2015, met het verzoek een aantal nader genoemde bescheiden aan te leveren met betrekking tot onder meer de woning. Appellanten zijn verschenen en appellant heeft tijdens het gesprek onder meer het volgende verklaard. Hij heeft in 2009 een huisje van zijn vader gekregen. In verband met zijn trouwfeest in 2007 heeft hij allerlei schulden gemaakt. Het totale schuldbedrag was ongeveer € 20.000,-. Door deze schulden, die moesten worden afbetaald, heeft hij het huisje moeten verkopen. Het gaat om de woning, die na de zomer van 2014 is verkocht voor € 20.000,-. De opbrengst is gebruikt om de schulden af te lossen. Appellanten hebben geen huurinkomsten gehad. De woning werd verhuurd door de vader of de broer van appellant.

1.3.3.

De handhavingsspecialist heeft appellanten vervolgens bij brief van 16 april 2015 verzocht om nadere gegevens te verstrekken, waaronder gegevens waaruit blijkt dat de woning is verkocht, gegevens over inkomsten uit verhuur en gegevens over eventuele schulden. In reactie hierop hebben appellanten bij brief van 7 mei 2015 onder meer een tapu senedi - eigendomsakte - en een zevental schriftelijke verklaringen van derden overgelegd. In de tapu senedi is vermeld dat appellant de woning op 20 oktober 2014 heeft verkocht voor 35.000 TL, wat omgerekend € 12.132,54 is. De verklaringen zijn gedateerd tussen 30 april 2015 en 5 mei 2015 en houden in dat de ondertekenaars ervan in 2007, 2008 of 2010 een met name genoemd geldbedrag van € 2.000,-, € 2.500,- of € 3.000,- aan appellant hebben gegeven of geleend en dit bedrag in oktober 2014 dan wel februari 2015 of maart 2015 van appellant hebben teruggekregen.

1.3.4.

De handhavingsspecialist heeft alle bevindingen van het onderzoek neergelegd in een rapport van 29 mei 2015.

1.4.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 1 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 september 2015 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten met ingang van 30 augustus 2010 in te trekken en de over de periode van 30 augustus 2010 tot en met 31 maart 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 41.082,19 van appellanten terug te vorderen. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het bezit van de woning, door geen melding te maken van inkomsten uit verhuur van de woning en door onvoldoende, en zelfs tegenstrijdige, informatie te verstrekken over het bedrag dat zij uit de verkoop van de woning hebben ontvangen. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand per 30 augustus 2010 niet worden vastgesteld.

1.5.

Appellanten hebben zich op 13 juli 2015 gemeld om bijstand aan te vragen en hebben de aanvraag op 20 juli 2015 ingediend. Hierbij hebben appellanten opgegeven inkomsten uit arbeid te hebben ter hoogte van € 670,- per vier weken en geen bezittingen en schulden te hebben.

1.6.

Bij besluit van 31 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit 2 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Nu het gaat om een aanvraag na een intrekking, is het aan appellanten om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden, in die zin dat zij nu wel voldoen aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Appellanten zijn hierin niet geslaagd. Zoals in bestreden besluit 1 al is geconcludeerd, moet de gang van zaken met betrekking tot de woning in Turkije, de verkoop van de woning, de opbrengst die in contanten zou zijn ontvangen en de verklaarde besteding van de opbrengst in de vorm van afbetaling van leningen eveneens in contanten, als volstrekt ondoorzichtig en ongeloofwaardig worden bestempeld. Bovendien zijn de verklaringen over de opbrengst van de woning inconsistent. In het kader van de onderhavige aanvraag is onduidelijkheid over dit alles blijven bestaan, zodat het recht op bijstand nog steeds niet kan worden vastgesteld.

1.7.

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft het college de terugvordering over het jaar 2015 - € 1.717,86 - gebruteerd tot een bedrag van € 2.209,76 (bruteringsbesluit).

2.1.

De rechtbank heeft het bruteringsbesluit betrokken bij het beroep tegen bestreden besluit 1.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 en tegen het bruteringsbesluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden, zoals ter zitting gehandhaafd, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking, terugvordering en brutering

4.1.

Appellanten hebben als enige beroepsgrond aangevoerd dat het college bij het onderzoek in het kader van het project heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie, zodat de onderzoeksbevindingen als onrechtmatig bewijs niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd. Daartoe hebben appellanten naar voren gebracht dat het college, door het selectiecriterium ‘geboorteplaats buiten Nederland’ te hanteren, onderscheid heeft gemaakt tussen Nederlandse bijstandsgerechtigden en bijstandsgerechtigden die een band met het buitenland hebben. Verder lijkt het onderzoek uitsluitend gericht te zijn geweest op bijstandsgerechtigden van Turkse afkomst. Voorts wijzen appellanten erop dat in de uitspraken van de Raad van 14 april 2015 waarnaar de rechtbank heeft verwezen (ECLI:NL:CRVB:2015:1229 en ECLI:NL:CRVB:2015:1231), ten onrechte niet is geoordeeld dat sprake is van een verdachte grond van onderscheid, de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het arrest Andrejeva v. Latvia [GC], 18 februari 2009, no. 55707/00, § 87, ECHR 2009, gebezigde term ‘uitsluitend’ (“exclusively”) niet op de juiste wijze is geïnterpreteerd en ten onrechte niet de ‘very weighty reasons-toets’ is gehanteerd.

4.2.

Ingevolge artikel 53a van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2481), is een bijstandverlenend orgaan in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing en wegens het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de algemene onderzoeksbevoegdheid risicoprofielen toe te passen. Daarbij mag echter niet in strijd worden gehandeld met het discriminatieverbod zoals onder meer opgenomen in artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM.

4.3.

Het project is beschreven in het ‘Projectplan: Vermogen in het buitenland’ van juli 2014 (projectplan). Met betrekking tot het projectplan en de hierop ter zitting door het college gegeven toelichting wordt het volgende vastgesteld. Voor de onderzoeksopzet heeft het college gekeken naar de opzet van het project in de gemeente Schiedam. In totaal 950 bijstandsgerechtigden, geboren in een groot aantal landen, voldeden aan de onder 1.2 genoemde selectiecriteria (groep van 950), wat ongeveer 10% is van het totaal aantal bijstandsgerechtigden in Utrecht . In overleg met het IBF zijn bijstandsgerechtigden uit landen waar geen onderzoek kan worden verricht, uit het bestand gehaald. Vervolgens is digitaal en aselect een steekproef getrokken van 200 bijstandsgerechtigden (groep van 200). Deze steekproef is representatief, in die zin dat de verhouding tussen de bijstandsgerechtigden afkomstig uit de verschillende, kort gezegd, geboortelanden in de groep van 200 gelijk is aan de verhouding tussen de bijstandsgerechtigden uit die geboortelanden in de groep van 950. Om pragmatische redenen is niet de gehele groep van 950 aan een onderzoek onderworpen. Van de groep van 200 kwamen er 12 uit Europa, 2 uit de Nederlandse Antillen, 21 uit Suriname, 124 uit Turkije, 31 uit Marokko en 10 uit de rest van de wereld. Naar de 31 Marokkaanse bijstandsgerechtigden kon ten tijde van het project geen onderzoek in Marokko plaatsvinden. Het IBF heeft naar alle overige (169) bijstandsgerechtigden van de groep van 200 vermogensonderzoek in het buitenland verricht. Op basis van de van het IBF ontvangen informatie heeft de afdeling Handhaving vervolgens in 102 zaken nader onderzoek gedaan.

4.4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in het project een nagenoeg gelijkluidend risicoprofiel heeft gehanteerd als aan de orde was in de uitspraak van 14 april 2015 inzake Schiedam (ECLI:NL:CRVB:2015:1229 - uitspraak Schiedam), met dien verstande dat het college uit het bestand van bijstandsgerechtigden die voldeden aan de drie onder 1.2 genoemde selectiecriteria ook nog een steekproef heeft getrokken om de onderzoekspopulatie te verkleinen. In de uitspraak Schiedam ging het om een risicoprofiel voor onderzoek waarbij bijstandsgerechtigden werden geselecteerd die (1) op 1 januari 2011 ouder waren dan 50 jaar, en (2) een lopende bijstandsuitkering hadden, en (3) uit een ander land afkomstig waren dan uit Nederland, en (4) een vakantiemelding hadden van 30 dagen of langer in één of meer kalenderjaren vanaf 1 januari 2009. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, door het risicoprofiel als hiervoor vermeld toe te passen en op grond daarvan onderzoek in het buitenland te doen, niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie. In wat appellanten hebben aangevoerd over onder meer de uitspraak Schiedam ziet de Raad geen aanleiding om in het geval van appellanten tot een ander oordeel te komen dan in die uitspraak. De overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid behoeven wel enige nuancering. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.”

4.5.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4180), is volgens constante rechtspraak van het EHRM een verschil in behandeling voor de toepassing van onder meer artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM discriminerend als het niet objectief gerechtvaardigd is, dat wil zeggen als met het onderscheid geen gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of als de gehanteerde middelen niet in een redelijke proportionaliteitsrelatie staan tot het nagestreefde doel. De verdragsstaten beschikken over een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De omvang van deze beoordelingsmarge is primair afhankelijk van de aard van het gemaakte onderscheid. Zo is het onderscheid naar bijvoorbeeld woonplaats, zoals in de hier genoemde uitspraak van 12 december 2014 is overwogen, geen “verdacht” onderscheid, zodat ten aanzien van een dergelijk onderscheid de verdragsstaat een ruime “margin of appreciation” toekomt. Dit geldt te meer in dit geval, waar het gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid. Volgens constante rechtspraak van het EHRM is verschil in behandeling uitsluitend op grond van nationaliteit alleen dan toegelaten als daarvoor “very weighty reasons” (zeer zwaarwegende redenen) bestaan (arrest Andrejeva v. Latvia [GC], 18 februari 2009, no. 55707/00, § 87, ECHR 2009). In het arrest British Gurkha Welfare Society and Others v. the United Kingdom van 15 september 2016, no. 44818/11, ECHR 2016/246, heeft het EHRM in een zaak waarin een verschil in behandeling op grond van uitsluitend nationaliteit aan de orde was, geoordeeld dat (ook) in het kader van de “very weighty reasons-toets” in ogenschouw moet worden genomen dat Staten in het algemeen een ruime “margin of appreciation” toekomt waar het gaat om een maatregel op het terrein van de sociale zekerheid.

4.6.1.

Het college heeft door het gebruik van het gehanteerde risicoprofiel met de drie onder 1.2 genoemde selectiecriteria een onderscheid gemaakt tussen bijstandsgerechtigden en hen verschillend behandeld. Een bepaalde groep bijstandsgerechtigden met een geboorteplaats buiten Nederland is onderworpen aan een niet-regulier onderzoek, terwijl de in Nederland geboren bijstandsgerechtigden met dezelfde kenmerken niet in dit onderzoek zijn betrokken. Is een risicoprofiel, zoals thans in geding, beperkt tot bijstandsgerechtigden met een geboorteplaats buiten Nederland, dan gaat het om een onderscheid naar nationale of maatschappelijke afkomst. Dit onderscheid wordt als een “verdacht” onderscheid aangemerkt. Een zodanig onderscheid dient te worden gerechtvaardigd door zeer zwaarwegende redenen.

4.6.2.

In het kader van de intensiteit van de rechtvaardigingstoets hecht de Raad betekenis aan het feit dat het onderscheid in het kader van het onderzoek naar de rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving wordt gemaakt en niet in het kader van een aanspraak op een materieel recht. Met het in 4.6.1 omschreven verschil in behandeling wordt het recht op bijstand dat personen ingevolge artikel 11 van de PW hebben, in beginsel niet aangetast, zolang er aan de voorwaarden wordt voldaan. In die context moet de “very weighty reasons-toets” worden geplaatst en leidt dat, gezien de aard van het gemaakte onderscheid, tot een minder strikte toets dan wanneer sprake zou zijn van een aantasting van een materieel recht. Hierbij wordt van belang geacht dat uit de rechtspraak van het EHRM wordt afgeleid dat niet elk “verdacht” onderscheid leidt tot eenzelfde strenge rechtvaardigingstoets (vergelijk het onder 4.5.2 genoemd arrest British Gurkha Welfare Society and Others v. the United Kingdom).

4.6.3.

In het licht van vorenstaand toetsingskader is voor de beoordeling van de rechtvaardiging van het onderscheid van betekenis dat het onderzoek dat ten aanzien van de bijstandsgerechtigden die behoren tot het door het college gehanteerde risicoprofiel in een ander land wordt uitgevoerd, ten aanzien van hen en alle andere bijstandsgerechtigden vrijwel voortdurend en vrijwel ongemerkt in Nederland wordt uitgevoerd, zodat van verschillende behandeling in zoverre in zeer beperkte mate sprake is.

4.6.4.

Zoals de Raad al heeft overwogen in de uitspraak Schiedam, zijn vermogensonderzoeken in het buitenland kostbaar en is het voor het bijstandverlenend orgaan nog meer zaak om bij de inzet van de algemene onderzoeksbevoegdheid in het buitenland zo gericht mogelijk te werk te gaan en daarop een risicoprofiel af te stemmen. Die afstemming dient daarom ook te mogen geschieden ten aanzien van de vraag in welk land onderzoek zal plaatsvinden. Van het bijstandverlenend orgaan kan immers, gelet op de kosten, niet worden verlangd dat het ten aanzien van al zijn bijstandsgerechtigden onderzoek doet in alle landen ter wereld.

4.6.5.

Verder is sprake van een verschil - in dit geval tussen bijstandsgerechtigden die in Nederland zijn geboren en bijstandsgerechtigden met een geboorteplaats buiten Nederland - dat relevant is voor de controle op de juiste opgave van middelen door de bijstandsgerechtigde. Een betrokkene die een geboorteplaats buiten Nederland heeft, kan immers een gedeelte van zijn leven buiten Nederland hebben doorgebracht en daardoor de mogelijkheid hebben gehad om inkomens- en vermogensbestanddelen in het buitenland te verwerven, waar voor de in Nederland geboren bijstandsgerechtigde die mogelijkheid veelal niet heeft bestaan. Ook is het mogelijk dat een in het buitenland geboren bijstandsgerechtigde familie heeft in zijn geboorteland, van wie hij door vererving vermogen in het buitenland kan verwerven, waar de in Nederland geboren bijstandsgerechtigde bij vergelijkbare verwerving vermogen in Nederland verkrijgt. Het al dan niet hebben van een geboorteplaats buiten Nederland van een bijstandsgerechtigde kan dus een gegeven zijn dat van belang is voor de vraag of de controle op vermogen en inkomen van de betrokkene vooral op middelen binnen Nederland moet worden gericht of dat controle ook moet worden gericht op middelen in een ander land, en zo ja, welk land.

4.6.6.

Een ander aspect van belang is dat het college bij de toepassing van het criterium geboorteplaats buiten Nederland geen nader onderscheid heeft gemaakt naar één of meer specifiek(e) geboorteland(en) buiten Nederland. Zou het onderzoek zich wel tot slechts één specifiek geboorteland hebben beperkt, dan zou dat vanwege het stigmatiserend effect in beginsel niet toelaatbaar zijn in het kader van de toets aan het discriminatieverbod.

4.6.7.

Ten slotte heeft het college het onder 4.6.1 bedoelde verschil in het risicoprofiel verfijnd met één ander kenmerk, te weten vakantiegedrag. Zoals is overwogen in de uitspraak Schiedam, is het verschil in vakantiegedrag relevant, omdat degenen die over inkomens- en vermogensbestanddelen beschikken in het buitenland, om die te beheren en te onderhouden of daarvan gebruik te maken, vaker langdurig naar de plaats zullen gaan waar die middelen zich bevinden.

4.6.8.

Wat onder 4.6.1 tot en met 4.6.7 is overwogen, leidt, evenals in de uitspraak Schiedam, tot de conclusie dat de verschillen tussen de kenmerken van de bijstandsgerechtigden die behoren tot het door het college gehanteerde risicoprofiel en zij die daar niet toe behoren samen voldoende relevant en objectief zijn om de keuze te maken de algemene onderzoeksbevoegdheid ten aanzien van hen wel onderscheidenlijk niet te richten op een bepaald ander land.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat de rechtmatige toepassing van de bijstandswetgeving een zeer zwaarwegende reden vormt voor het gemaakte onderscheid en dat het toegepaste middel in een redelijke verhouding staat tot dat doel, gelet op de hoge kosten van controle en handhaving en de grote verschillen die bestaan tussen controlemogelijkheden in Nederland en daarbuiten.

4.8.

Anders dan appellanten ter zitting van de Raad hebben betoogd, valt niet in te zien dat het college het bestand met bijstandsgerechtigden die voldeden aan de drie onder 1.2 genoemde selectiecriteria om pragmatische redenen door middel van een steekproef niet zou mogen verkleinen. Voor zover appellanten zich met de ter zitting door hen geuite twijfel over de steekproef op het standpunt stellen dat het college bij het uitvoeren van de steekproef discriminatoir heeft gehandeld, omdat het percentage van bijstandsgerechtigden geboren in Turkije in de steekproef een groot percentage (72%) bedraagt, worden zij daarin niet gevolgd. Het college heeft ter zitting verklaard dat het ging om een digitale, aselecte en representatieve steekproef zoals onder 4.4 weergegeven, waarbij de verhouding voor en na de steekproef hetzelfde is gebleven. Geen aanleiding bestaat om die verklaring in twijfel te trekken.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat de onder 4.1 opgenomen beroepsgrond niet slaagt.

Aanvraag

4.10.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 13 juli 2015, de datum waarop appellanten zich hebben gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 31 augustus 2015, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.11.

Appellanten hebben als enige beroepsgrond aangevoerd dat hun schulden ten tijde van de aanvraag moeten worden gesaldeerd met eventuele positieve vermogensbestanddelen en dat dit ertoe leidt dat zij recht op bijstand hebben. Zij wijzen hierbij op hun schuld aan het college van € 41.082,19 en op de schuld van appellant aan de Dienst Uitvoering en Onderwijs van € 27.863,44. Volgens appellanten moet hun vermogen ten tijde van de aanvraag worden vastgesteld op de op 19 januari 2015 getaxeerde waarde van de woning van € 23.902,-. Gelet op de hoogte van de schulden staat dit vermogen niet in de weg aan de verlening van bijstand.

4.12.

In dit geval heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellanten na de eerdere intrekking geen wijziging van omstandigheden hebben aangetoond, in die zin dat zij nu wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. De rechtbank heeft zich in dit geval terecht beperkt tot het door haar gegeven oordeel over die grondslag (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:365, en van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1391).

4.13.

De omstandigheden van appellanten zijn niet gewijzigd ten opzichte van de omstandigheden die hebben geleid tot het besluit van 1 juli 2015. Immers, ten tijde van dat besluit bestond onduidelijkheid over het vermogen van appellanten, in het bijzonder over de opbrengst van de woning en over de besteding van die opbrengst. Deze onduidelijkheid, die het college (mede) ten grondslag heeft gelegd aan het intrekkingsbesluit, hebben appellanten bij hun aanvraag kort na dat besluit niet weggenomen. In aanmerking genomen dat appellanten de woning in oktober 2014 hebben verkocht en niet duidelijk is wat de opbrengst daarvan is geweest en wat er met de opbrengst is gebeurd, valt niet in te zien dat het vermogen van appellanten per datum aanvraag zou moeten worden vastgesteld op de op 19 januari 2015 getaxeerde waarde van de woning. Als gevolg van de al bestaande en niet weggenomen onduidelijkheid over het vermogen, is de door appellanten voorgestane saldering met hun schulden niet mogelijk en kan ook het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld.

4.14.

Uit 4.12 en 4.13 volgt dat de onder 4.11 opgenomen beroepsgrond niet slaagt.

Conclusie

4.15.

Uit 4.9 en 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

UM