Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1501

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
17-6781 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de Stichting op grond van de resultaten van de eindmeting van het verbetertraject niet de conclusie heeft mogen trekken dat sprake is van ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de Stichting niet in redelijkheid van haar bevoegdheid tot ontslagverlening gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2019/912
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6781 AW

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
6 september 2017, 16/3861 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Stichting Promes (Stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.J. Koops hoger beroep ingesteld.

De Stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.W. van Kinschot. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G. van der Galiën, M.J. de Willigen, A. Smit en W. van Selling.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als leerkracht op de openbare basisschool [naam school] , één van de onder de Stichting ressorterende scholen.

1.2.

Tijdens functioneringsgesprekken in januari 2013 en op 9 mei 2014 heeft directeur W appellant gewezen op tekortkomingen in zijn functioneren. Nadat W in februari 2015 had vastgesteld dat appellant de rapporten voor de leerlingen niet tijdig had gemaakt - hiervoor heeft appellant een schriftelijke berisping gekregen - en dat het functioneren van appellant ook overigens onvoldoende was, heeft W in een gesprek op 16 februari 2015 aan appellant meegedeeld dat een verbetertraject zal worden gestart. In het kader van dat traject is op verzoek van de Stichting door [naam bureau] nader onderzoek verricht naar de kwaliteit van de pedagogische en didactische competenties van appellant. Op 12 maart 2015 heeft M van [naam bureau] een nulmeting verricht en verbeterpunten op de competenties pedagogisch handelen, vakinhoudelijk en didactisch handelen, groepsorganisatie, zorg en begeleiding en reflecterend vermogen geformuleerd. Tijdens het verbetertraject is voorzien in coaching van appellant door S. Op 29 juni 2015 heeft M een tweede meting verricht. Tevens zijn over het functioneren van appellant vragenlijsten ingevuld door appellant, vijf collega’s en W. In een gesprek op 6 oktober 2015 hebben W

en P&O-medewerker AS aan appellant meegedeeld dat het functioneren nog steeds onvoldoende is, dat het verbetertraject wordt verlengd, dat in februari 2016 een eindmeting plaatsvindt, dat het functioneren dan voldoende moet zijn en dat anders ontslag plaatsvindt. Op 9 februari 2016 heeft M een eindmeting verricht.

1.3.

Nadat de Stichting het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant hierover zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de Stichting bij besluit van 19 mei 2016 met toepassing van artikel 4.7, aanhef en onder g, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling Primair Onderwijs 2014-2015, appellant met ingang van 1 juni 2016 ontslag verleend wegens ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit anderen hoofde dan wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar van appellant heeft de Stichting, voor zover thans nog van belang, bij besluit van 19 september 2016 (bestreden besluit) de ontslagdatum gewijzigd in 1 oktober 2016 en het ontslagbesluit voor het overige gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt op grond van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3254) moet het bestuursorgaan ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in

het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn - aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Eveneens volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

3.2.

Voor zover appellant van opvatting is dat er geen aanleiding was voor een verbetertraject, deelt de Raad die opvatting niet. Uit de verslagen van de functioneringsgesprekken van januari 2013 en 9 mei 2014 alsmede uit het gespreksverslag van 16 februari 2015 volgt dat

er wezenlijke tekortkomingen waren in het functioneren van appellant. Die tekortkomingen worden bevestigd in de resultaten van de nulmeting van M van [naam bureau]

- M spreekt, samenvattend, van een ‘zorgelijk beeld’ - en in de door M geformuleerde verbeterpunten. Dat appellant de gespreksverslagen van januari 2013 en 9 mei 2014 niet heeft ondertekend en vele jaren voor de klas heeft gestaan zonder kritiek op zijn functioneren te hebben gekregen, zoals hij heeft aangevoerd, kan niet afdoen aan de sinds januari 2013 geconstateerde tekortkomingen in zijn functioneren.

3.3.

Het betoog van appellant dat het enkele verbetertraject van 12 maart 2015 tot en met
9 februari 2016 het ontslag niet kan rechtvaardigen, deelt de Raad evenmin.

3.3.1.

De Stichting heeft appellant in een zorgvuldig verbetertraject, waarbij [naam bureau] is ingeschakeld en in coaching van appellant door S is voorzien, de kans geboden om zijn functioneren op de vereiste competenties op een voldoende niveau te krijgen. Appellant is hierin niet geslaagd, ook niet nadat het verbetertraject is verlengd. M heeft in zijn rapport naar aanleiding van de eindmeting in februari 2016 geconcludeerd dat appellant evident een groei heeft laten zien, maar dat er nog een flink aantal ontwikkelpunten ligt waarin appellant zich in beperkte mate of nauwelijks heeft ontwikkeld. Het gaat daarbij, zoals M het heeft omschreven, om cruciale onderdelen, die thuishoren in het dagelijkse repertoire van een competente leerkracht. Zo constateert M dat er wat betreft het vakinhoudelijk en didactisch handelen nog steeds forse ontwikkelpunten zijn, onder meer ten aanzien van het afstemmen en differentiëren van de aangeboden lesstof, de taakgerichtheid en het rendement van de les in relatie tot de beschikbare lestijd. Ook de groepsorganisatie moet volgens M op verschillende onderdelen beter. De leer- en werkhouding van kinderen is matig, evenals de schriftelijke verwerking. Het schrijven van doelen, evaluaties en interventies komt niet uit de verf.

3.3.2.

Appellant heeft naar aanleiding van de scoringslijst die M bij zijn eindmeting heeft gebruikt, gesteld dat in nog slechts 8% van de beoordeelde aspecten sprake is van onvoldoende functioneren. Deze stelling treft geen doel. In de scoringslijst zijn de volgende kwalificaties gebruikt: ‘onvoldoende’, ‘in ontwikkeling of twijfelachtig, maar nog niet voldoende’, ‘voldoende’, ‘goed’ en ‘geen waardering of niet te beoordelen’. Het functioneren van appellant is op diverse aspecten beoordeeld met een ‘onvoldoende’, maar nog veel meer aspecten zijn beoordeeld met ‘in ontwikkeling of twijfelachtig, maar nog niet voldoende’. Hierbij komt dat, zoals uit 3.3.1 volgt, appellant op cruciale onderdelen van de functie onvoldoende functioneerde.

3.3.3.

De stelling van appellant dat met ingang van schooljaar 2015-2016 het Jenaplan-concept is ingevoerd op basisschool [naam school] en dat dit zijn functioneren in negatieve zin heeft beïnvloed, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat de tekortkomingen

in het functioneren van appellant ook al aanwezig waren tijdens het eerste deel van het verbetertraject - de nulmeting en de tweede meting zijn verricht in schooljaar 2014-2015 - is bij de eindmeting door M een rekenles geobserveerd waarbij alle leerlingen uit één groep kwamen. De Stichting kan dan ook worden gevolgd in de stelling dat van invloed van het Jenaplan-concept bij de beoordeling van het functioneren van appellant geen sprake was. De bij appellant geconstateerde tekortkomingen op cruciale onderdelen van de competenties van de functie moeten los worden gezien van de invoering van het Jenaplan-concept.

3.3.4.

De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de Stichting op grond van de resultaten van de eindmeting van het verbetertraject niet de conclusie heeft mogen trekken dat sprake is van ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie. Er is evenmin grond voor het oordeel dat de Stichting niet in redelijkheid van haar bevoegdheid tot ontslagverlening gebruik heeft kunnen maken.

3.4.

Uit 3.2 tot en met 3.3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A.M. Pasmans

LO