Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
16-2254 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na wijziging woonplaats. Dagelijks bestuur erkent verkeerde datum te hebben gehanteerd. De Raad doet zelf af. Geen grond voor toekenning schadevergoeding anders dan wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2254 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 maart 2016, 15/1406 en 15/1470 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek

om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van Werk & Inkomen Hoeksche Waard (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 8 mei 2018

PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2016 is Werk & Inkomen Hoeksche Waard de rechtsopvolger van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard. Hierna wordt onder het dagelijks bestuur mede begrepen het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard.

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door [naam] , hun vertrouwenspersoon. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Munster en P.M. Rabenort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen, nadat zij hun meubelmakerij hadden beëindigd, vanaf

6 oktober 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm

voor gehuwden op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag om schuldhulpverlening hebben appellanten op 23 oktober 2014 bij een ambtenaar van het dagelijks bestuur een aanmeldgesprek gehad. Gelet op bij de aanvraag gevoegde informatie over een vordering van de verhuurder, heeft de behandelaar van de aanvraag contact opgenomen met de verhuurder van de woning op het uitkeringsadres, woningcorporatie [woningcorporatie] ( [woningcorporatie] ). [woningcorporatie] heeft meegedeeld dat de woning zou worden ontruimd op 29 oktober 2014 en dat de woning leeg stond.

1.3.

In een journaal van [woningcorporatie] is vermeld dat [woningcorporatie] op 21 oktober 2014 van de GGD heeft vernomen dat appellanten vertrokken waren. [woningcorporatie] heeft dit gemeld bij de wijkagent. De wijkagent heeft vervolgens op diezelfde dag de woning op het uitkeringsadres bezocht en van een deel van de benedenverdieping en de schuur foto’s gemaakt. Op 23 oktober 2014 heeft [woningcorporatie] van het wijkteam het bericht ontvangen dat de woning

leeg stond.

1.4.

Op 27 oktober 2014 heeft appellante in een telefoongesprek met de behandelaar van de aanvraag om schuldhulpverlening die met haar heeft gesproken over de te nemen beslissing over die aanvraag, onder meer gezegd dat ze in de [streek] wil wonen. Appellanten hebben de sleutels nog niet aan [woningcorporatie] overhandigd, omdat appellanten van mening zijn dat ze er uit moeten komen met [woningcorporatie] en dat [woningcorporatie] verplicht is hieraan mee te werken.

1.5.

Op 28 oktober 2014 heeft de afdeling Schuldhulpverlening de klantmanager van appellanten in het kader van de bijstand op de hoogte gesteld van de bevindingen van

[woningcorporatie] .

1.6.

Bij besluit van 28 oktober 2014, op die dag mondeling aan appellanten meegedeeld en verzonden op 5 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten met ingang van 21 oktober 2014 ingetrokken. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten vanaf 21 oktober 2014 niet langer hun woonplaats in [gemeente 1] op het uitkeringsadres hadden.

1.7.

Op 28 oktober 2014 ’s avonds hebben appellanten de sleutel van hun woning bij

[woningcorporatie] in de brievenbus gedaan en op 30 oktober 2014 hebben zij zich in de basisregistratie personen ingeschreven in de gemeente [gemeente 2] op het adres

[adres 2] .

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover bij de Raad aangevochten, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben betwist dat zij vanaf 21 oktober 2014 hun woonplaats niet meer op het uitkeringsadres hadden. Zij hebben aangevoerd dat het dagelijks bestuur geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan, maar is afgegaan op de mededeling van een medewerkster van [woningcorporatie] . Zij hebben voorafgaand aan de week van de ontruiming twee weken gelogeerd bij familie in Friesland, omdat de spanningen veroorzaakt door de bedrijfsbeëindiging en de vrijwel onbeheersbare schuldenlast hen bijna teveel werden. De wijkagent heeft geen foto’s in de woning gemaakt. De bovenverdieping was niet ontruimd. Uit niets kan worden opgemaakt dat zij het plan hadden hun woonstede in [gemeente 1] op te geven, voor hun vertrek naar [adres 2] . Dat zij in [adres 2] de mogelijkheid hadden gecreëerd om tijdelijk een vakantiewoning te betrekken was niet met de bedoeling hun woonstede op geven, maar kwam voort uit de behoefte aan rust en een (voorlopig) dak boven hun hoofd. In plaats van hulp in de vorm van schuldhulpverlening en een noodwoning te bieden heeft het dagelijks bestuur op grond van slechts een mededeling van [woningcorporatie] de bijstand ingetrokken. Inmiddels is in de [streek] een convenant gesloten, om, in een geval als dat van appellanten, in een eerder stadium in te grijpen en hulp te bieden. Dat had ook ten aanzien van appellanten moeten gebeuren. Appellanten hebben schade geleden doordat zij in de gemeente [gemeente 2] pas vanaf januari 2015 bijstand hebben ontvangen en doordat zij uiteindelijk twee keer hebben moeten verhuizen. Ook als gevolg van de afwijzing van schuldhulpverlening hebben appellanten schade geleden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 1:11, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Dit sluit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden verloren kan gaan. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.2.

Ter zitting van de Raad heeft het dagelijks bestuur de intrekking van de bijstand van appellanten met ingang van 21 oktober 2014 niet langer gehandhaafd. Het dagelijks bestuur stelt dat wel voldoende grondslag bestaat voor intrekking van de bijstand met ingang van

30 oktober 2014.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het dagelijks bestuur ten onrechte de bijstand van appellanten met ingang van 21 oktober 2014 heeft ingetrokken. Dat heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellanten vanaf 28 oktober 2014 ’s avonds niet meer de beschikking hadden over de woning op het uitkeringsadres en zij zich vervolgens op 30 oktober 2014 in de basisregistratie personen hebben ingeschreven in de gemeente [gemeente 2] , waar zij een vakantiewoning hadden betrokken, hadden zij vanaf 30 oktober 2014 onmiskenbaar geen woonplaats meer in de gemeente [gemeente 1] . Vanaf die datum konden zij dan ook geen aanspraak meer maken op bijstand van het dagelijks bestuur. Dat appellanten door het dagelijks bestuur hadden moeten worden geholpen met een noodwoning of schuldhulpverlening, wat daarvan zij, kan niet tot gevolg hebben dat het dagelijks bestuur, in strijd met artikel 40, eerste lid, van de WWB, vanaf 30 oktober 2014 nog gehouden was aan appellanten bijstand te verlenen. De Raad zal dan ook zelf in de zaak voorzien door het besluit van 28 oktober 2014 in zoverre te herroepen dat wordt bepaald dat de bijstand van appellanten wordt ingetrokken met ingang van 30 oktober 2014.

4.4.

Het verzoek om vergoeding tot veroordeling van schade komt in zoverre voor toewijzing in aanmerking dat het dagelijks bestuur zal worden veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de over de periode van 21 tot 30 oktober 2014 na te betalen bijstand. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Voor schade die appellanten stellen te hebben gelden als gevolg van de afwijzing van het verzoek om schuldsanering of schuldhulpverlening, is de Raad, gelet op artikel 8:90 van de Awb, niet de bevoegde rechter. De gevraagde vergoeding van schade als gevolg van het twee keer moeten verhuizen en het missen van twee maanden uitkering in de gemeente [gemeente 2] is geen gevolg van de intrekking van de bijstand met ingang van 21 oktober 2014, in plaats van met ingang van 30 oktober 2014.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 27 januari 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 28 oktober 2014 in zoverre dat wordt bepaald dat de bijstand van appellanten wordt ingetrokken met ingang van 30 oktober 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 januari 2015;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur tot vergoeding van schade aan appellanten op de wijze als aangeduid in rechtsoverweging 4.5 en wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade voor het overige af;

  • -

    bepaalt dat het dagelijks bestuur het door appellanten in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J. Smolders

IvR