Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1483

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
17/1816 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met behoud van Wajong-uitkering te verhuizen naar Turkije. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de door betrokkene aangevoerde feiten en omstandigheden aangemerkt kunnen worden als zwaarwegende redenen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 2 van het Besluit Beleidsregels. Daarbij is van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis het exportverbod van Wajong-uitkeringen het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door het Uwv enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit Beleidsregels en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarden dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. De invulling die het Uwv in zijn Besluit Beleidsregels aan de toepassing van de hardheidsclausule heeft gegeven, wordt niet onjuist of onredelijk geacht. De wens van de moeder van betrokkene om terug te keren naar Turkije is, mede gezien haar leeftijd, geenszins onbegrijpelijk, maar dit kan niet wegnemen dat de verhuizing op de eigen keuze is gebaseerd zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken. Onder deze omstandigheden kan niet gesproken worden van zwaarwegende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/1816 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
6 februari 2017, 15/6635 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 17 mei 2018

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. J.A.H. van Marwijk, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, geboren [in] 1967, heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit. Hij is arbeidsongeschikt wegens zwakbegaafdheid, impulscontrole- en verslavingsproblematiek. Aan hem is met ingang van 17 augustus 1994 een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die per 1 januari 1998 is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998). In maart 2015 heeft betrokkene bij het Uwv een verzoek ingediend om met behoud van zijn uitkering te mogen verhuizen naar Turkije, kort gezegd omdat zijn moeder voornemens is naar Turkije te verhuizen en hij afhankelijk is van haar zorg.

1.2.

Bij besluit van 22 april 2015 heeft het Uwv het verzoek van betrokkene afgewezen. Dit besluit is mede gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts van het Uwv, waarin wordt gesteld dat er geen medische noodzaak is voor betrokkene om naar het buitenland te vertrekken.

1.3.

In bezwaar heeft betrokkene onder meer een brief van zijn casemanager, van Ambulant Centrum Altrecht Aventurijn, van 24 september 2015 overgelegd, waarin deze meldt dat betrokkene kwetsbaar is en langdurige ondersteuning nodig blijft houden, en een brief van zijn huisarts van 23 september 2015, waarin deze meldt dat zolang zijn moeder bij betrokkene aanwezig is de verwachting is dat zijn geestelijke situatie stabiel zal blijven.

1.4.

Bij besluit van 6 november 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2015 ongegrond verklaard onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die zich kan vinden in het oordeel van de verzekeringsarts. Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat er geen sprake is van zwaarwegende redenen. Voorts is overwogen dat betrokkene geen beroep kan doen op Besluit 3/80 van de Associatieraad EG/Turkije (Besluit 3/80). Daarbij is ook verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2015, Demirci e.a., C-171/13, omdat betrokkene zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit bezit.

2.1.

In beroep heeft betrokkene gesteld dat hij afhankelijk is van de zorg van zijn moeder, bij wie hij dagelijks eet en van wie hij afhankelijk is voor zijn sociale contacten. Hij heeft een verleden van drankmisbruik, gokverslaving en agressie en nu houdt zijn moeder de touwtjes strak in handen. Hij gedijt het beste in een prikkelarme omgeving. Betrokkene wordt begeleid door professionele instanties zoals Altrecht, het buurtteam en een bewindvoerder. Het is weliswaar de vrije keuze van zijn moeder om te verhuizen maar niet van betrokkene.

2.2.

Betrokkene heeft, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, een brief overgelegd van psychiater S. Kapitein van 15 april 2016 die betrokkene ambulant begeleidt. Op verzoek van de rechtbank is een prognose toegevoegd hoe betrokkene zal functioneren zonder de steun van zijn moeder. De psychiater meldt dat betrokkene zelfstandig woont en is aangewezen op 24-uurs begeleiding vanuit een gespecialiseerde instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Nu heeft hij dergelijke steun van zijn moeder en broer. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 22 april 2015 de bevindingen van de psychiater gevolgd en gesteld dat verzorging en begeleiding door een dergelijke instelling in Nederland gangbaar is en dat er dus geen noodzaak is voor exclusieve verzorging door de moeder.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule. De persoonlijkheid van betrokkene, zijn beperkte mogelijkheden om zich als persoon zelfstandig staande te houden en het belang van de beschikbaarheid van zijn moeder daarbij vormen zwaarwegende en dwingende redenen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stcrt. 2 mei 2003, nr. 84, bl. 17, nadien gewijzigd, hierna: Besluit Beleidsregels) die hem noodzaken met zijn moeder mee te verhuizen.

3.1.

In hoger beroep heeft het Uwv gesteld dat de rechtbank op onjuiste wijze invulling heeft gegeven aan artikel 3:19 van de Wajong. Geen van de concrete situaties als bedoeld in

artikel 2 van het Besluit Beleidsregels is aan de orde. In beginsel zouden ook andere situaties dan de drie genoemde, kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze andere omstandigheden moeten dan wel qua ernst vergelijkbaar zijn met de concreet genoemde situaties. Het exportverbod is het uitgangspunt blijkens de wetsgeschiedenis en de hardheidsclausule kan slechts in uitzonderlijke situaties toepassing vinden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het geval van betrokkene sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, zodat de weigering van het Uwv om toepassing te geven aan de in artikel 3:19, negende lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) opgenomen hardheidsclausule in rechte geen stand kan houden.

4.2.

Artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong 2010 bepaalt dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogeheten exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het negende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.3.

In het Besluit Beleidsregels is in artikel 2 bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.4.

In de toelichting bij het Besluit Beleidsregels is vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en er ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent. In de toelichting is verder bepaald dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en dus niet in overwegende mate gebaseerd op een eigen keuze.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat het de vrije keuze van de moeder van betrokkene is om naar Turkije te verhuizen en dat de omstandigheden waarom hij in Turkije wenst te wonen niet gerangschikt kunnen worden onder één of meer van de drie in artikel 2 van het Besluit Beleidsregels genoemde gevallen. Beoordeeld moet daarom worden of de aangevoerde omstandigheden anderszins aanleiding kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule.

4.6.

De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de door betrokkene aangevoerde feiten en omstandigheden aangemerkt kunnen worden als zwaarwegende redenen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 2 van het Besluit Beleidsregels. Daarbij is van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis het exportverbod van

Wajong-uitkeringen het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door het Uwv enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit Beleidsregels en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarden dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. De invulling die het Uwv in zijn Besluit Beleidsregels aan de toepassing van de hardheidsclausule heeft gegeven, wordt niet onjuist of onredelijk geacht. De wens van de moeder van betrokkene om terug te keren naar Turkije is, mede gezien haar leeftijd, geenszins onbegrijpelijk, maar dit kan niet wegnemen dat de verhuizing op de eigen keuze is gebaseerd zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken. Onder deze omstandigheden kan niet gesproken worden van zwaarwegende redenen.

4.7.

Op grond van wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen slaagt het hoger beroep, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond worden verklaard.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

SSa