Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2018
Datum publicatie
18-05-2018
Zaaknummer
17/5558 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepschrift van appellant is buiten de wettelijke termijn van zes weken ingediend. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat, gelet op de verklaring van de huisarts van 23 december 2016, niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Uit de nadere verklaring van zijn huisarts blijkt niet dat er gedurende de beroepstermijn van 16 augustus 2016 tot en met 26 september 2016 bij appellant sprake was van een zodanig ernstige psychiatrische toestand dat appellant niet in staat was om adequaat te reageren op poststukken of iemand in te schakelen om zijn belangen te behartigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/5558 Wajong

Datum uitspraak: 16 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 juni 2017, 16/6660 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij beslissing op bezwaar van 15 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 1 april 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Hiertoe heeft zij overwogen dat haar niet is gebleken dat appellant niet in staat was om tijdig, zo nodig op nader aan te voeren gronden, beroep in te (laten) dienen. Uit de ingediende verklaring van de huisarts volgt niet zonder meer dat er bij appellant sprake is van een ernstig invaliderende psychiatrische stoornis, waardoor hij niet in staat was om zijn belangen te (doen) behartigen, waarbij de rechtbank heeft meegewogen dat de verklaring van de huisarts van 23 december 2016 slechts een weergave van de klachten van appellant bevat en geen objectieve (medische) gegevens.

2.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij na ontvangst van het bestreden besluit gedurende bijna twee maanden tot (bijna) niets in staat is geweest wegens zijn psychiatrische aandoening. Ter motivering van zijn standpunt heeft hij in hoger beroep een nadere verklaring ingediend van zijn huisarts, gedateerd 19 juli 2017.

2.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft erop gewezen dat uit de brief van de huisarts van 19 juli 2017 evenmin blijkt dat appellant om medische redenen niet in staat was om tijdig beroep aan te tekenen of om daarvoor hulp in roepen.

3.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2.

Appellant heeft op 11 oktober 2016 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank tegen het bestreden besluit. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het beroepschrift van appellant buiten de wettelijke termijn van zes weken, die eindigde op 26 september 2016, is ingediend. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft

niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij niet eerder dan op

11 oktober 2016 in staat was om een beroepschrift in te dienen, omdat hij de periode daarvoor in een toestand van volledige apathie verkeerde als reactie op het bestreden besluit, waarbij het bezwaar ongegrond was verklaard. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat, gelet op de verklaring van de huisarts van 23 december 2016, niet redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, omdat uit deze verklaring niet blijkt van een ernstig invaliderende psychiatrische stoornis, waardoor appellant niet in staat was om zijn belangen te (doen) behartigen. In hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt een nadere verklaring van zijn huisarts, gedateerd 19 juli 2017, ingediend. Uit deze verklaring blijkt dat appellant in de herfst van 2016 te kampen had met een ernstige terugval met klachten van depressie, auto-destructief gedrag, paniekaanvallen en slaapdeprivatie, waardoor hij gedurende twee maanden niet in staat was om op enige constructieve manier zijn leven vorm te geven. Ook uit deze verklaring blijkt niet dat er gedurende de beroepstermijn van 16 augustus 2016 tot en met 26 september 2016 bij appellant sprake was van een zodanig ernstige psychiatrische toestand dat appellant niet in staat was om adequaat te reageren op poststukken of iemand in te schakelen om zijn belangen te behartigen.

3.3.

Gelet op overweging 3.2 slaagt het hoger beroep niet.

3.4.

Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM