Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
16-05-2018
Zaaknummer
17/3201 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het ontslag van appellante is voor een aanzienlijk deel aan haarzelf te wijten. Nu het college geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, komt appellante evenmin in aanmerking voor een aanvullende vergoeding in de vorm van een plus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3201 AW

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 maart 2017, 16/7773 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.L.B. Hundscheidt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Ameziane, R.A. de Groot en J.M. Hemmes.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 september 1999 in dienst van de gemeente [gemeente] , laatstelijk in de functie van [functie] bij de [afdeling] van de gemeente. Vanaf eind 2013 heeft appellante regelmatig te kennen gegeven gezondheidsklachten te ondervinden als gevolg van het klimaatbeheersingssysteem in het stadhuis. Er is vanaf toen regelmatig sprake geweest van ziekteperiodes. In juni 2015 is een re-integratietraject gestart. Appellante heeft een stiltekamer op de vierde etage toegewezen gekregen. Vanaf augustus 2015 was deze kamer niet langer beschikbaar voor appellante en was zij werkzaam op de zevende etage.

1.2.

Omdat partijen in de maanden nadien geen voor hen beiden aanvaardbare oplossing voor de door appellante ondervonden problemen hebben weten te bereiken, heeft op

1 december 2015 een mediationgesprek plaatsgevonden. Ook dit gesprek heeft niet tot een oplossing geleid. Bij besluit van 3 december 2015 heeft het college appellante buitengewoon verlof verleend tot en met 22 januari 2016. Het college heeft daarbij gesteld dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en dat er geen vertrouwen meer is in herstel van de arbeidsverhouding. Het college heeft aangekondigd een voorstel te zullen doen tot beëindiging van de arbeidsrelatie door middel van een vaststellingsovereenkomst. Op

10 december 2015 is aan appellante een concept-vaststellingsovereenkomst toegezonden. Op 22 januari 2016 heeft appellante het college laten weten dat zij niet akkoord gaat met het voorstel.

1.3.

Bij besluit van 22 januari 2016 heeft het college het buitengewoon verlof verlengd totdat een definitief ontslagbesluit is genomen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Na een voornemen daartoe, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, heeft het college appellante bij besluit van 26 februari 2016 ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Den Haag (ARG) op de grond dat een impasse is ontstaan waarin geen zicht meer bestaat op het herstel van een vruchtbare samenwerking. Aan het ontslag heeft het college een ontslaguitkering verbonden ter hoogte van een

WW-uitkering met een aanvulling conform de bovenwettelijke uitkering van hoofdstuk 10d (paragraaf 6) van de ARG. Appellante heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 16 augustus 2016 (bestreden besluit) zijn, voor zover hier van belang, de tegen de besluiten van 22 januari 2016 en 26 februari 2016 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het hoger beroep betreft uitsluitend het ontslagbesluit; de verlenging van het buitengewoon verlof is niet meer in geschil. Appellante meent dat ontslag niet nodig was geweest omdat er nog een minnelijke oplossing voorhanden was, namelijk het gebruik van een stiltekamer, waar zij naar haar zeggen het klimaatbeheersingssysteem kon uitschakelen zonder collega’s tot last te zijn. Verder meent zij dat het college niet genoeg herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Voor zover deze argumenten niet slagen meent appellante dat haar aanvullende vergoedingen hadden moeten worden toegekend.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de ARG worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137), en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking (uitspraak van

28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198).

3.3.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat in dit geval sprake is van een situatie als onder 3.2 bedoeld. Zoals door de rechtbank is overwogen, heeft het college uitvoerige inspanningen verricht om te komen tot een oplossing van de problemen van appellante. In 2014 is de werkplek van appellante herhaaldelijk opnieuw ingesteld, is haar bureau gedraaid, zijn kasten verplaatst en zijn panelen aan het plafond verlegd om koude luchtstromen tegen te gaan. Uit technisch onderzoek is gebleken dat het klimaatbeheersingssysteem, ook op de werkplek die ten tijde van dat onderzoek in gebruik was bij appellante, voldoet aan de richtlijnen. Ook de werkplek op de zevende verdieping die appellante in 2015 in gebruik heeft genomen, is nauwkeurig onder de loep genomen. Opnieuw zijn er acties ondernomen om het effect van eventuele koude luchtstromen te minimaliseren, zoals het vervangen van een defecte thermostaat en het verstellen van de roosters in het plafond. Dit alles heeft er niet toe geleid dat de door appellante ervaren klachten zijn afgenomen. Zoals is toegelicht door het college, zou verdergaand ingrijpen in het klimaatbeheersingssysteem ertoe leiden dat dit systeem niet langer voldoet aan de wettelijke eisen, zoals die met het oog op de gezondheid van de werknemers in het leven zijn geroepen. Kortom, de door het college getroffen maatregelen hebben de door appellante ervaren problemen niet opgelost en verdergaande aanpassingen waren niet mogelijk. Appellante heeft deze uitkomst niet willen accepteren en is de werkgever bij voortduring blijven verwijten haar niet voldoende tegemoet te zijn gekomen. Daarmee is de impasse als omschreven onder 3.2 een feit geworden.

3.4.

Wat appellante heeft aangevoerd over de stilteplekken maakt het overwogene onder 3.3 niet anders. De stilteplek die appellante bij aanvang van het re-integratietraject heeft gebruikt, was in gebruik bij de Bestuursdienst en was vanaf augustus 2015 niet langer voor appellante beschikbaar. Voor alle stilteplekken in het Haagse gemeentehuis geldt bovendien, zoals is toegelicht door het college, dat het klimaatbeheersingssysteem daar onverkort zijn werk doet. De stelling van appellante dat het systeem met behulp van een afstandsbediening eenvoudig kon worden uitgeschakeld, is onjuist gebleken. Zoals het college heeft toegelicht, zijn afstandsbedieningen ter regeling van het klimaat in het gemeentehuis niet in gebruik en kan, met een knop aan de muur, enkel de temperatuur worden bijgesteld. Appellante heeft ten tijde van het gebruik van de stiltekamer van de Bestuursdienst dan ook dagelijks het ventilatierooster handmatig afgeplakt. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat dit afplakken van het enige ventilatierooster in een eenpersoonskamer op onaanvaardbare wijze in de weg staat aan de toe- en afvoer van frisse lucht, en daarom, nog los van de door appellante tegenover de rechtbank genoemde noodzaak om tweemaal daags op haar bureau te klimmen om het rooster te kunnen bereiken, geen acceptabele oplossing biedt voor de door appellante ervaren problemen.

3.5.

Wat betreft de stelling van appellante dat onvoldoende herplaatsingsinspanningen zijn verricht, is allereerst van belang dat binnen de zogeheten strategische kernvoorraad (stadhuis, [adres] en stadsdeelkantoren) geen kantoorruimte zonder klimaatbeheersingssysteem beschikbaar was en is. Interne herplaatsing was daarmee geen optie, nu de aanwezige patstelling er niet mee van tafel zou zijn gegaan. Een aan appellante geboden mogelijkheid tot detachering bij [bedrijf] is door haar, zoals blijkt uit haar bezwaar tegen het ontslagbesluit, van de hand gewezen. Van belang is verder dat aan een ontslag op de hier aan de orde zijnde grondslag geen onderzoek naar de mogelijkheden tot externe herplaatsing vooraf behoeft te gaan. Zo’n onderzoek is, in het kader van het tweede spoor tijdens ziekte, in dit geval wel opgestart, maar gelet op het ontbreken van een verplichting daartoe in het kader van het ontslag, zal de Raad op het verloop van dit onderzoek en op het aandeel van ieder van partijen daarin, niet nader ingaan.

3.6.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat haar, bovenop de door het college verleende WW-garantie en aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10d (paragraaf 6) van de ARG, ook nog een na-wettelijke uitkering en een ontslagvergoeding in de vorm van een zogeheten plus hadden moeten worden toegekend. Ook daarin volgt de Raad haar, net als de rechtbank, niet. Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:8 van de ARG geldt als uitgangspunt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering moet worden toegekend en dat hiernaast een na-wettelijke uitkering moet worden toegekend als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels is te wijten aan de betrokken ambtenaar (uitspraak van 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:249). Gelet op het overwogene onder 3.3 en 3.4 is aan laatstbedoelde voorwaarde niet voldaan. Het daar overwogene laat geen andere conclusie toe dan dat het ontslag van appellante voor een aanzienlijk deel aan haarzelf is te wijten. Nu het college geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, komt appellante evenmin in aanmerking voor een aanvullende vergoeding in de vorm van een plus.

3.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van F Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) F. Demiroğlu

JL