Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1434

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
16/2028 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking na opschorting op de grond dat betrokkene niet binnen gestelde termijn is verschenen op oproep en geen bankafschriften heeft overgelegd. Afwijzing aanvraag. Voor huisbezoek bestond redelijke grond. Weigering huisbezoek, waardoor recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2028 PW

Datum uitspraak: 15 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

19 februari 2016, 15/1952 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.Th.M. Demmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Namens appellant is verschenen mr. Demmer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers

en R.C.M. Noordink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 8 maart 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellant staat in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Op 7 januari 2015 heeft het college de uitkeringsspecificatie over de maand

december 2014 per post retour ontvangen. Op de envelop had de postbode vermeld dat de brievenbus vol zat. Vervolgens hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Hengelo (medewerkers) op 13 januari 2015 getracht een huisbezoek op het uitkeringsadres af te leggen, waarbij zij appellant niet hebben aangetroffen. De bewoner van [adres 2] heeft toen tegenover de medewerkers verklaard dat appellant al vier maanden bij zijn vriendin in [gemeente] verbleef en die week nog zou langskomen om zijn post op

te halen.

1.3.

Het college heeft vervolgens appellant bij brief van 19 januari 2015 uitgenodigd om

te verschijnen voor een gesprek op 21 januari 2015. Appellant is gevraagd bankafschriften vanaf 1 september 2014 mee te nemen naar het gesprek. Appellant is niet op dat gesprek verschenen. Het college heeft hierop bij besluit van 21 januari 2015, op diezelfde dag door een medewerker in de brievenbus van het uitkeringsadres gedeponeerd, het recht op bijstand met ingang van 21 januari 2015 opgeschort. Daarbij heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 23 januari 2015 en hem in de gelegenheid gesteld de gevraagde bankafschriften tijdens dit gesprek in te leveren. Appellant is niet verschenen en heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt. Daarop heeft het college bij besluit van 23 januari 2015, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant met ingang van 21 januari 2015 beëindigd (lees: ingetrokken) omdat appellant de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.

1.4.

Appellant heeft zich op 4 februari 2015 gemeld voor het doen van een nieuwe aanvraag om bijstand, waarna hij op 18 februari 2015 de aanvraag heeft ingediend. In het kader van de behandeling van deze aanvraag hebben medewerkers [naam 1] en [naam 2] (S) op 19 maart 2015 onaangekondigd een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. Appellant heeft de medewerkers, na hen aanvankelijk te hebben binnengelaten, weer weggezonden. Bij besluit van 23 maart 2015 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het huisbezoek op 19 maart 2015 en dat als gevolg daarvan het college de noodzaak tot bijstandsverlening niet kon vaststellen.

1.5.

Bij besluit van 30 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 23 januari 2015 en 23 maart 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de intrekking van de bijstand met ingang van 21 januari 2015 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. Vergelijk de uitspraak van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:61.

4.3.

Niet in geschil is dat de door het college aan appellant gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand. Verder staat vast dat appellant na de uitnodiging bij brief van 21 januari 2015 niet is verschenen op het gesprek op 23 januari 2015 en evenmin de gevraagde gegevens binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingeleverd.

4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, is een termijn van twee dagen tussen de uitnodiging en het geplande gesprek niet onredelijk kort. Vergelijk de uitspraken van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1690 en van 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4238. Voorts is niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat appellant geen verwijt kan worden gemaakt van het niet verschijnen op het gesprek van 23 januari 2015 en het niet overleggen van de gevraagde stukken. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 21 januari 2015 in te trekken.

4.5.

De stellingen dat de melding van de postbode niet juist kon zijn, omdat appellant geen brievenbus heeft, maar een gleuf in de voordeur, dat appellant maar korte tijd bij zijn vriendin op bezoek is geweest en dat er geen sprake was van een verblijf elders, leveren, wat hier van zij, geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

De afwijzing van de aanvraag

4.6.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 4 februari 2015 tot en met 23 maart 2015.

4.7.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een

aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te

verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het

bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op

juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke

inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de

bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.8.

Appellant heeft aangevoerd dat hem geen verwijt treft indien hij zou zijn tekortgeschoten in zijn inlichtingenverplichting. De schijn bestaat dat bewust buiten het dossier is gehouden dat hij geen brievenbus heeft, maar een gleuf in de voordeur. Het markeren van de voordeur in de week van 21 januari 2015 is niet relevant en een huisbezoek was niet nodig. Voorts heeft het college, door S bij het huisbezoek in te zetten, geen blijk gegeven van een objectieve waarheidsvinding, nu appellant ooit een klacht tegen S heeft ingediend.

4.9.

Voor zover appellant hiermee wil aanvoeren dat een redelijke grond ontbrak voor het huisbezoek, slaagt deze beroepsgrond niet. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. De in 1.2 weergegeven feiten en het niet verschijnen van appellant op de gesprekken van 21 en 23 januari 2015 vormen zulke concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan kon worden getwijfeld aan de door appellant verstrekte gegevens over zijn woon- en leefsituatie. Wat appellant heeft aangevoerd doet daar niet aan af.

4.10.

De stelling van appellant dat het college geen blijk heeft gegeven van een objectieve waarheidsvinding mist elke grond. De door appellant genoemde klacht tegen S dateert van

22 augustus 2006 en is destijds afgehandeld en betekent niet dat het college S niet mocht inzetten bij het huisbezoek. Daarbij blijkt uit het verslag van het huisbezoek, waarvan de weergave van het huisbezoek niet is bestreden door appellant, niet dat appellant tijdens het huisbezoek bezwaren heeft geuit over de aanwezigheid van S. Appellant heeft in bezwaar juist aangevoerd dat de omstandigheid dat hij tijdens het huisbezoek ‘een paar keer uit zijn slof is geschoten’ kan worden verklaard doordat hij een periode zonder inkomsten was. Uit

de betrokkenheid van S bij het huisbezoek volgt dan ook niet dat appellant niet valt te verwijten dat het huisbezoek is afgebroken. Ook anderszins heeft appellant geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hem geen verwijt van het afbreken van het huisbezoek kan worden gemaakt.

4.11.

Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het recht op

bijstand niet kon worden vastgesteld door het vroegtijdig afbreken van het huisbezoek. De medewerkers hebben met appellant en later ook met zijn vriendin, die in de woning aanwezig was, uitsluitend in de woonkamer gesproken. Er was geen gelegenheid de gehele woning te bekijken, waardoor onvoldoende duidelijkheid kon worden verkregen over de aard en omvang van het verblijf van appellant en zijn vriendin in de woning.

4.12.

Uit 4.4, 4.5 en 4.9 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en G.M.G. Hink en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2018.

(getekend) J.L. Boxum

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

LO