Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
16/5316 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete in verband met niet melden hennepkwekerij. Aangetoond is dat betrokkene vanaf opbouw kwekerij zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen. Verminderde verwijtbaarheid niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5316 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2016, 15/7862 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 15 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. de Back, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 13 november 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 4 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 februari 2015, heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 30 april 2013 tot en met

11 maart 2014 ingetrokken en de over deze periode betaalde bijstand tot een bedrag van

€ 10.448,48 van hem teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat een hennepkwekerij in zijn woning was gevestigd, die daar volgens de fraudespecialist van

Stedin Netbeheer BV in ieder geval vanaf 30 april 2013 in bedrijf is geweest. Bij uitspraak van 7 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:220, heeft de rechtbank Rotterdam het beroep tegen het besluit van 11 februari 2015 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Na het voornemen daartoe heeft het college bij besluit van 1 december 2014, gewijzigd bij besluit van 10 juli 2015 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 november 2015 (bestreden besluit), aan appellant een boete opgelegd van € 3.910,- wegens schending van de inlichtingenverplichting. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dit de hoogte van de boete betreft, bepaald dat appellant een boete verschuldigd is van € 1.102,- en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank is er volgens hem ten onrechte van uitgegaan dat er, naast de aangetroffen hennepplanten, vier eerdere oogsten zijn geweest. Het college heeft dit niet aangetoond. Volgens appellant is de kwekerij anderhalve maand in bedrijf geweest en was er nog geen oogst. De periode waarover hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden is dus korter en het benadelingsbedrag, dat uitgangspunt is voor de boete, is lager. Verder heeft appellant gesteld dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, zodat de boete maximaal 25% is van het benadelingsbedrag. Rekening houdend met zijn draagkracht kan de boete ten hoogste zesmaal 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm bedragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De schendig van de inlichtingenverplichting en de hoogte van de boete

4.1.

Gelet op wat namens het college desgevraagd ter zitting naar voren is gebracht en gelet op de beroepsgronden spitst het geschil zich toe op de vraag of het college heeft aangetoond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden en op de hoogte van de boete.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012 BX9977) worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Van schending van de inlichtingenverplichting is dus niet pas sprake vanaf het moment dat uit een hennepkwekerij inkomsten worden verworven.

4.3.

Appellant heeft op 11 maart 2014 tegenover de politie verklaard dat de bouw van de kwekerij een maand of vier heeft geduurd en dat de kwekerij op de dag van de inval anderhalve maand in bedrijf was. Op 8 juli 2014 heeft appellant tegenover twee medewerkers van de Unit Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam verklaard dat de planten op het moment van de inval vijf weken stonden en dat de opbouw van de kwekerij ongeveer vier of vijf maanden had geduurd. Hiermee is aangetoond dat appellant in ieder geval over een periode van vier maanden en vijf weken zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Uitgaan van 50% van een benadelingsbedrag van over deze periode ten onrechte ontvangen bijstand zou al leiden tot een boete die hoger is dan de in geding zijnde boete van € 1.102,-. De Raad heeft het standpunt van het college als bedoeld onder 4.1 zo begrepen dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, een oordeel over het door het college ingebrachte rapport van de fraudespecialist van Stedin niet meer van belang is. De Raad zal hier dan ook verder niet op ingaan.

De mate van verwijtbaarheid

4.4.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016 ECLI:NL:CRVB:2016:12 en het Boetebesluit sociale zekerheidswetten (Boetebesluit), zoals dit per 1 januari 2017 luidt.

4.4.1.

Artikel 2a, eerste lid, van het Boetebesluit bepaalt dat bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin de betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

4.4.2.

Artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit bepaalt dat bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval de volgende criteria leiden tot verminderde verwijtbaarheid:

“a. De betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. De betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hij de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;

(…)”

4.5.

Appellant heeft zijn stelling dat het niet melden van de hennepkwekerij hem in verminderde mate kan worden verweten omdat hij is bedreigd en afgeperst door drugsdealers om de hennepkwekerij in zijn woning te gedogen, niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Aan de schriftelijke verklaringen van zijn ex-vriendinnen

L en W van 9 juni 2014 en 11 juni 2014 die appellant heeft overgelegd kan niet die waarde worden toegekend die appellant daaraan toegekend wil zien, omdat L en W, volgens hun verklaring, wel uit eigen waarneming verklaren dat het gezicht van appellant op enig moment, volgens L eind 2013, was toegetakeld, maar niet over de reden daarvan. Dat appellant zou worden bedreigd hebben zij volgens hun verklaring later (L na de ontmanteling van de kwekerij) van appellant zelf vernomen. Van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder a en b, van het Boetebesluit is daarom geen sprake. Dit betekent dat in het geval van appellant een boete van € 1.102,- evenredig is.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Smolders

LO