Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
17/744 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag terecht afgewezen. Niet gebleken dat verweerder destijds bij de oorspronkelijke beoordeling een aperte, hem verwijtbare fout heeft gemaakt. Zo zijn geen (medische) gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat verweerder op grond van de destijds beschikbare medische gegevens een onjuist besluit heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 744 WUV

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen partijen en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 december 2016, kenmerk BZ01924273 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1964, heeft in 1992 een aanvraag ingediend om onder toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wuv als zogenoemde tweede generatie-oorlogsslachtoffer met de vervolgde te worden gelijkgesteld. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 16 november 1993 en na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 7 september 1994 op de grond dat de psychische klachten van appellante niet in overwegende mate in verband staan met de vervolgingsgevolgen van haar moeder. Tegen het besluit van

7 september 1994 is geen beroep ingesteld.

1.2.

Een verzoek van appellante van december 1996 om de eerdere afwijzing te herzien is afgewezen bij besluit van 16 mei 1997 en na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van

11 juli 1997 op de grond dat bij de beoordeling van de aanvraag van 1992 geen aperte, verweerder verwijtbare fouten zijn gemaakt. Ook tegen het besluit van 11 juli 1997 is geen beroep ingesteld.

1.3.

In maart 2015 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wuv. Dat verzoek is door verweerder afgewezen bij besluit van 26 oktober 2015 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat (ook nu) niet is gebleken dat verweerder bij de afwijzing destijds een aperte hem verwijtbare fout heeft gemaakt.

2. In beroep is met name betoogd dat ten onrechte het dossier van de moeder van appellante niet is betrokken bij de medische beoordeling van de aanvraag van appellante en dat met het in 1994 verrichte onderzoek van psychiater B. Hoek vast is komen te staan dat de psychische klachten van appellante destijds in overwegende mate het gevolg waren van de vervolgingsgevolgen van haar moeder.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Sinds de wetswijziging van 15 juli 1994 is het niet meer mogelijk om personen die na de oorlog zijn geboren, zoals appellante, met de vervolgden in de zin van de Wuv gelijk te stellen. Wat betreft verzoeken van na de oorlog geborenen om herziening van besluiten op aanvragen van vóór 15 juli 1994, voert verweerder het beleid dat deze verzoeken alleen dan worden ingewilligd als bij het besluit waarvan herziening wordt verzocht, een aperte, verweerder verwijtbare fout is gemaakt. De Raad heeft dit beleid al meermalen aanvaard (bijvoorbeeld de uitspraak van 9 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:955).

3.2.

De onder 1.1 genoemd besluitvorming was gebaseerd op medische adviezen van de geneeskundig adviseurs P. Windels en E.C. Wijnvoord. Daarbij is onder meer betrokken de resultaten van het onderzoek verricht door psychiater Hoek. Uit deze adviezen komt naar voren dat de door de ernst van de niet-oorlogsgerelateerde traumata de pathologie niet in overwegende mate valt toe te schrijven aan de vervolgingsgevolgen van de moeder van appellante. In zijn medisch advies van 28 september 1993 refereert Windels aan de oorlogsomstandigheden van de moeder van appellante en de als gevolg daarvan bij haar ontstane vervolgingsgevolgen. Ook psychiater Wijnvoord verwijst naar de door verweerder aan hem toegezonden gegevens van de moeder van appellante en geeft haar oorlogsomstandigheden weer als ook de bij haar aanwezige psychische klachten. Het betoog van appellante dat bij de aanvraag van 1992 het dossier van haar moeder niet is betrokken bij de medische beoordeling kan de Raad niet onderschrijven. Een (hernieuwde) discussie over de resultaten van het psychiatrisch onderzoek van Hoek is niet passend bij de aard van het hier aan de orde zijnde verzoek. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat verweerder destijds bij de oorspronkelijke beoordeling een aperte, hem verwijtbare fout heeft gemaakt. Zo zijn geen (medische) gegevens overgelegd op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat verweerder op grond van de destijds beschikbare medische gegevens een onjuist besluit heeft genomen.

3.3.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1.

De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van verzoeker gedurende de gehele procesgang.

4.2.

In zaken zoals deze, waarin het primaire besluit is genomen na 1 februari 2014, is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.3.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 2 november 2015 tot aan de datum van deze uitspraak (9 mei 2018) zijn twee jaar en (ruim) zes maanden verstreken. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met (ruim) zes maanden. In de bestuurlijke fase is een periode van (ruim) twee maanden aan te wijzen die appellante heeft benut voor het indienen van een nadere onderbouwing van het bezwaar. Het tijdsverloop dat daarmee is gemoeid wordt in de lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) aangemerkt als aan appellante toerekenbaar gedrag. Rekening houdend met genoemde periode is de redelijke termijn overschreden met (ruim) vier maanden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. De overschrijding dient geheel aan de bestuurlijke fase te worden toegeschreven. De Raad zal daarom verweerder veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan appellante tot een bedrag van € 500,-.

4.4.

Het geslaagd beroep op schending van de redelijke termijn geeft aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 250,50

(1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante een vergoeding van schade tot een bedrag

van € 500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 250,50.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

RB