Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1419

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
17/808 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat moet worden afgeweken van de puntentelling van de huurprijscheck. Medebewoner maakt geen gebruik van keuken. Aantal door appellant berekende punten van 74 is juist. Dit puntenaantal komt overeen met een maximale huurprijs van € 150,51 per maand per 1 juli 2015. Uit de overwegingen volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat tussen appellant en H vanaf 1 juli 2015 een commerciële huurprijs is overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/139
USZ 2018/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 808 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 december 2016, 15/3143 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

Datum uitspraak: 17 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.E. González Pérez, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. González Pérez. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.B.L. Krahmer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang 22 september 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Hij huurt een woning met drie slaapkamers van Woningbouwvereniging [A]. Op 1 juli 2015 bedroeg de huur van zijn woning € 526,06 per maand. Op 1 maart 1996 heeft hij een kamerhuurovereenkomst (huurovereenkomst 1) gesloten met zijn nicht H, die bij hem inwoont. In deze overeenkomst is niet vermeld welke kamer(s) H huurt en van welke ruimtes zij het medegebruik heeft. De huurprijs is omschreven als “Het verschil in huursubsidie + het verschil in uitkering” en er is geen bepaling opgenomen over jaarlijkse indexering van de huurprijs. Feitelijk betaalde H tot en met juni 2015 € 150,- per maand aan appellant voor de woonruimte die zij bij hem huurt.

1.2.

Bij besluit van 15 april 2015 heeft het college de hoogte van de bijstand van appellant per 1 juli 2015 met toepassing van artikel 22a, eerste lid, van de PW verlaagd naar een bedrag van € 686,31, zijnde 50% van de gehuwdennorm. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat H als kosten delende medebewoner wordt aangemerkt en dat geen sprake is van commerciële verhuur.

1.3.

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant aangevoerd dat hij, gezien de hoogte van zijn eigen huurprijs en de staat van zijn woning, wel degelijk een reële en commerciële huurprijs is overeengekomen met H. Appellant heeft hierbij aansluiting gezocht bij het puntensysteem zoals dit wordt gehanteerd bij het bepaling van de huurprijs door de woningbouwvereniging. Hij komt voor het gedeelte dat onder de onderhuur valt uit op 74 punten. De huurprijs is daarmee in overeenstemming.

1.4.

Bij besluit van 14 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant ontvangt al jaren een bedrag aan huur van H van € 150,- per maand. Gezien de prijsontwikkeling kan er nu geen sprake meer zijn van een commerciële huurprijs. Dat appellant de huurprijs door de invoering van de kostendelersnorm wel wil aanpassen, duidt ook niet op een commerciële prijs. Het puntensysteem waarbij appellant aansluiting zoekt, is niet van toepassing op kamerhuur. Aldus is de uitzondering van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW niet van toepassing.

2.1.

Appellant heeft in beroep tegen het bestreden besluit een nieuwe huurovereenkomst tussen hem en H toegezonden, opgemaakt op 30 juni 2015 (huurovereenkomst 2). Hierin is bepaald dat H per 1 juli 2015 een kamer huurt van 10,07 m2 op de eerste verdieping (kamer 1) en het medegebruik heeft van de douche, de wc, een kamer van 8,52 m2 (kamer 2), de tuin en de schuur/berging. Niet is aangekruist dat H het medegebruik heeft van de keuken. De huurprijs bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst € 150,51 per maand en wordt jaarlijks voor 1 juli aangepast aan het dan geldende puntensysteem of indexering. De vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten - gas, elektra, water en gebruik wasmachine - is begroot op € 28,- per maand. Appellant heeft voorts bankafschriften ingebracht waaruit blijkt dat H op 1 juli 2015 € 150,51 heeft overgemaakt naar de bankrekening van appellant en op 3 juli 2015 € 28,-. Verder heeft appellant een ingevuld formulier “Puntentelling: onzelfstandige woonruimte” ingebracht. Volgens dit formulier is het aantal punten voor de kamer die H huurt 50 en het aantal punten voor de overige ruimten 23,5. Het totaal aantal punten, afgerond 74, levert volgens de eveneens door appellant ingebrachte tabel “Maximale huurprijsgrenzen voor onzelfstandige woonruimten per

1 juli 2015” een maximale huurprijs op van € 150,51.

2.2.

Ter zitting van de rechtbank op 10 maart 2016 heeft appellant onder meer verklaard dat H geen gebruik maakt van de keuken. Hij heeft daarbij vermeld dat H tien jaar geleden een maagoperatie heeft ondergaan, dat deze operatie is mislukt, dat haar moeder pakketjes eten klaarmaakt en dat H deze pakketjes opwarmt in de magnetron die op haar kamer staat. Op het ter zitting door de rechtbank gedane voorstel om de Huurcommissie in te schakelen voor het vaststellen van de maximale huurprijs van de woonruimte die H huurt van appellant, heeft appellant verklaard zich hierin te kunnen vinden en het college dat hij zich bij het oordeel van de Huurcommissie zal neerleggen.

2.3.

De rechtbank heeft de Huurcommissie overeenkomstig artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte verzocht advies uit te brengen over de maximale huurprijsgrens en in dat kader een onderzoek in te stellen naar de woonruimte die appellant aan H verhuurt en de ruimtes die H in medegebruik heeft. De rechtbank heeft erop gewezen dat H twee kamers van appellant huurt en het medegebruik heeft van enkele ruimten in diens woning.

2.4.

Een medewerker van de Huurcommissie (medewerker) heeft de woning van appellant op 23 mei 2016 bezocht. De Huurcommissie heeft de rechtbank en het college in de gelegenheid gesteld om daarbij aanwezig te zijn. Noch de rechtbank, noch het college heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt. In het rapport komt de medewerker tot een puntenaantal van 115, waaraan een maximale huurprijs is verbonden van € 233,87 per maand. De puntentelling wijkt op de volgende punten af van die van appellant. De medewerker is ervan uitgegaan dat H een woonkamer huurt van 7,62 m2 en een slaapkamer van 8,58 m2, wat 80 punten oplevert, dat H de keuken gebruikt, wat vier punten oplevert, en dat alle radiatoren in de vertrekken van H een thermostaatknop hebben, wat drie punten oplevert.

2.5.

In reactie op dit rapport heeft appellant opgemerkt dat hij en H beiden kamer 2 gebruiken, dat dit dus niet een eigen vertrek van H is en dat, nu deze kamer kleiner is dan 15 m2, de Huurcommissie ten onrechte punten voor die kamer heeft toegekend. Voorts heeft appellant erop gewezen dat de keuken niet gemeenschappelijk is en dat de radiatoren geen thermostaatknoppen hebben, maar “open” en “dichtknoppen”. Het college heeft op het rapport van de Huurcommissie gereageerd met de mededeling dat dit rapport het standpunt van het college bevestigd dat geen sprake is van een commerciële relatie tussen appellant en H en dat het besluit om de kostendelersnorm per 1 juli 2015 toe te passen dus correct is.

2.6.

De medewerker heeft bij e-mailbericht van 21 juli 2016 als volgt gereageerd op het commentaar van appellant.

Gemeenschappelijke ruimte?

Huurster heeft een woon-/slaapkamer op de 1e verdieping ingericht als woonkamer. In de naastgelegen slaapkamer (die volgens verhuurder dus een gemeenschappelijke ruimte is) heeft onderzoeker een grote kledingkast van huurster gezien en wat overig meubilair en spullen. Onderzoeker is er daarom vooralsnog vanuit gegaan dat deze ruimte exclusief door huurder wordt gebruikt. [...]

Mocht u tot de conclusie komen dat deze ruimte toch gedeeld wordt door huurder en verhuurder, dan is deze ruimte (met een oppervlakte van 8,58 m2) inderdaad te klein om voor puntenwaardering in aanmerking te komen. Er wordt immers niet voldaan aan de minimale oppervlakte-eis van 15 m2.

Verwarming

Verhuurder heeft gelijk. De radiator in de woon-/slaapkamer van huurster is niet voorzien van een thermostatische regelknop. Dat betekent een aftrek van de drie daarvoor toegekende punten.

Keuken?

De keuken is gelegen op de begane grond. Volgens verhuurder zou huurster hier geen gebruik van maken. Huurster zou een speciale dieetvoeding hebben die kant en klaar zou worden aangeleverd. Door middel van een magnetron in de kamer van huurster worden de maaltijden opgewarmd. Onderzoeker gaat ervan uit dat een keuken in het algemeen niet alleen voor het bereiden van maaltijden wordt gebruikt (maar ook voor bijvoorbeeld het doen van de afwas).”

[...]

De drie punten in mindering vanwege het ontbreken van een thermostatische regelknop op de radiator heeft overigens tot gevolg dat de maximale huurprijs, op grond van 112 punten,

€ 227,77 bedraagt.”

2.7.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort weergegeven, het volgende overwogen. Voor de beoordeling van het geschil wordt tot uitgangspunt genomen de woonsituatie in de periode van 17 maart 2015, de aanvang van de herbeoordeling met het oog op de kostendelersnorm, tot en met 16 (lees: 15) april 2015, de datum van het primaire besluit. Het is de vraag of appellant in deze periode voldeed aan de vereisten voor de uitzondering op de kostendelersnorm, bedoeld in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Huurovereenkomst 1 bevat geen duidelijke beschrijving van de omvang van het gehuurde. Voorts blijkt uit de rapportage en de reactie van de Huurcommissie dat er gegronde reden is om aannemelijk te achten dat het gehuurde tevens het exclusieve gebruik van een tweede kamer omvatte en ook het medegebruik van de keuken. Appellant heeft volstaan met een niet met feiten gestaafde ontkenning van het exclusieve gebruik. Verder is niet gesteld of gebleken dat de feitelijke situatie op de datum van het onderzoek door de huurcommissie anders was dan in de periode in geding. Ten slotte heeft sinds 2009 geen indexering van de huurprijs plaatsgevonden. De hiervoor weergegeven onduidelijkheid over de omvang van het gehuurde, in samenhang bezien met het feit dat de huurprijs sinds 2009 niet is verhoogd, doet in hoge mate afbreuk aan de aannemelijkheid van het gestelde commerciële karakter van de huurovereenkomst. Dit wordt niet anders door huurovereenkomst 2, reeds omdat deze geen betrekking heeft op de periode in geding.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft het volgende aangevoerd. Beoordeeld moet worden of appellant per 1 juli 2015 onder de uitzondering van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW valt en niet of dit vóór die datum zo was. Daarbij moet huurovereenkomst 2 worden betrokken. De rechtbank heeft ten onrechte beoordeeld of huurovereenkomst 1 voldoet aan de eisen die de PW stelt aan een commerciële relatie. Appellant gebruikt kamer 2, de kamer die volgens de medewerker exclusief wordt gebruikt door H, ook als hobby- en strijkkamer. H gebruikt de keuken ook niet om af te wassen. Zij wast haar spullen af in de badkamer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de WWB en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:

( (40% + A × 30%)/A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

Artikel 22a van de PW is dwingendrechtelijk van aard en biedt, behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm.

4.3.

Op grond van het vierde lid, aanhef en onder b, van artikel 22a van de PW, zoals dat tot 1 januari 2016 luidde, worden voor de toepassing van de kostendelersnorm van belanghebbende niet meegerekend de personen, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.

4.4.

Over deze uitzonderingsbepaling op de toepassing van de kostendelersnorm heeft de Raad in zijn uitspraak van 17 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:243, met een verwijzing naar verscheidene in Kamerstukken II, 2013/2014, 33 801, opgenomen passages overwogen dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 22a van de PW is op te maken dat de wetgever volledig zakelijke relaties voor de kostendelersnorm buiten toepassing heeft willen laten. In deze situatie worden de kosten namelijk niet op dezelfde wijze gedeeld als met woningdelers die geen onderlinge zakelijke relatie hebben. Van een zakelijke relatie is volgens de wetgever sprake indien de (onder)verhuurder een commerciële prijs vraagt voor de (onder)huur van de woning en de geleverde diensten en de (onder)huurder deze commerciële prijs betaalt. Er is volgens de wetgever sprake van een commerciële prijs indien de prijs in verhouding staat met de geleverde prestaties en deze prijs in het commerciële verkeer gebruikelijk is, wat tevens een periodieke aanpassing van de prijs veronderstelt.

4.5.

Het college heeft de bijstand van appellant verlaagd per 1 juli 2015. Aangezien het college het daartoe strekkende besluit vóór die datum heeft genomen, is de hier te beoordelen datum 1 juli 2015. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, moet worden beoordeeld of appellant op die datum - en dus niet daarvoor - voldeed aan de vereisten voor toepassing van de in artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW opgenomen uitzondering op de kostendelersnorm. De beroepsgrond hierover slaagt.

4.6.

Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of sprake is van een commerciële (onder)huurrelatie tussen appellant en H. In het verweerschrift heeft het college er onder meer op gewezen dat in het algemeen kan worden gesteld dat in een keuken niet alleen de afwas wordt gedaan, maar dat daar ook de koelkast staat, ontbijt, lunch en warme dranken worden klaargemaakt, etenswaren worden bewaard en afval wordt weggegooid. Gezien het dagelijks gebruik van basisvoorzieningen in een gehuurde woonruimte is het niet aannemelijk dat H nimmer gebruik maakt van de keuken.

4.7.

Huurovereenkomst 2 is per 1 juli 2015 in de plaats gekomen van huurovereenkomst 1, zodat huurovereenkomst 1 in het kader van de beoordeling of sprake is van een commerciële huurprijs geen bespreking behoeft. De rechtbank heeft dit evenmin onderkend.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 vloeit voort dat moet worden beoordeeld of de per 1 juli 2015 geldende huurprijs van huurovereenkomst 2 een commerciële huurprijs was. Gelet op wat partijen over en weer naar voren gebracht, is niet in geschil dat die huurprijs in dit geval moet worden bepaald overeenkomstig het resultaat van de huurprijscheck. Op basis van de huurprijscheck wordt door de daarbij gehanteerde waarderingswijze op grond van een puntensysteem voor de kwaliteit van de gehuurde onzelfstandige woonruimte op basis van de in Bijlage 1 bij het Besluit huurprijzen woonruimte gegeven waarderingswijze een zorgvuldige indicatie verkregen van de bijbehorende maximale huurprijs, mits correct ingevuld, vergelijk de uitspraak van 22 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3119.

4.9.

Uit huurovereenkomst 2 blijkt dat H per 1 juli 2015 kamer 1 huurt, van kamer 2 het medegebruik heeft en geen medegebruik heeft van de keuken. Dit is slechts anders, indien zou komen vast te staan dat de feitelijke woonsituatie van H op 1 juli 2015 niet overeenkwam met de in huurovereenkomst 2 omschreven situatie. Het huurprijscheckrapport en het

e-mailbericht van 21 juli 2016 bieden daarvoor geen aanknopingspunten, reeds omdat de maten van de aan H toegeschreven kamers in dat rapport niet overeenkomen met de maten van de kamers in de huurovereenkomst, terwijl bovendien een exacte feitelijke beschrijving van de (inhoud van de) kamers ontbreekt. Bij gebreke aan feitelijke (onderzoeks)gegevens over de wijze waarop deze kamers op 1 juli 2015 waren ingedeeld en werden gebruikt, moet het ervoor worden gehouden dat H per die datum het volledige gebruik had van kamer 1 en het medegebruik van kamer 2. Wat het gebruik van de keuken betreft, heeft appellant ter zitting van de Raad verklaard dat H nooit in de keuken van zijn woning kwam, dat H sinds haar maagoperatie slechts 10% kan eten van wat normale mensen eten, dat haar moeder sindsdien pakketjes eten voor H maakt, dat H deze pakketjes bewaart in een koelkast op haar kamer, dat zij daar alles heeft om te eten en haar afwas doet in de badkamer en dat daar ook een afvalbak staat. Er zijn geen aanknopingspunten om niet van deze door appellant geschetste voorstelling van zaken uit te gaan. De enkele stelling van het college dat het niet aannemelijk is dat H geen gebruik maakt van de keuken in de woning van appellant, omdat dit een basisvoorziening in een woning is, is gezien de bijzondere situatie waarin H verkeert ontoereikend om aan te nemen dat zij, in afwijking van het bepaalde in artikel 1, derde lid, van huurovereenkomst, sinds 1 juli 2015 wel gebruikmaakte van de keuken.

4.10.

Uitgaande van de juistheid van de omschrijving van het gehuurde door H in huurovereenkomst 2 is het aantal door appellant berekende punten van 74 juist. Zoals appellant in beroep terecht heeft aangevoerd, komt dit puntenaantal overeen met een maximale huurprijs van € 150,51 per maand per 1 juli 2015.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat tussen appellant en H vanaf 1 juli 2015 een commerciële huurprijs is overeengekomen. De uitzondering van artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW is hier dus van toepassing. Het college heeft daarom ten onrechte beslist dat de kostendelersnorm met ingang van 1 juli 2015 voor appellant van toepassing was. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit wegens strijd met artikel 22a van de PW vernietigen en het besluit van 15 april 2015 herroepen, nu niet aannemelijk is dat nader onderzoek naar het feitelijk gebruik in het verleden van de verschillende ruimten in de door appellant gehuurde woning nog kan leiden tot andere besluitvorming.

5. Het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het college de rente moet berekenen, wordt verwezen naar de uitspraak van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Het gaat hier om de termijnen vanaf 1 juli 2015. Dit betekent dat de wettelijke rente is ingegaan op 1 augustus 2015. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op van € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 3.006,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 september 2015;

- herroept het besluit van 15 april 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 september 2015;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals onder 5 vermeld;

- veroordeelt college in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.006,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Dinleyici

JL