Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
16/4152 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellant kan beschikken over de bankrekening van de zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4152 PW-PV, 16/6607 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 mei 2016, 16/13 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] met onbekende verblijfplaats (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)

Datum uitspraak: 20 maart 2018

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte

Griffier: C.A.E. Bon

Ter zitting is appellante niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Simons.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het nadere besluit van 15 september 2016 ongegrond.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Appellante ontving sinds mei 2013, met onderbrekingen, bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). In verband met een heronderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand heeft het college meerdere keren aan appellante verzocht gegevens over te leggen. Bij besluit van 15 juni 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 13 juni 2015 opgeschort. Bij besluit van 3 juli 2015 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 13 juni 2015 ingetrokken omdat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, deze vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college niet langer aan appellante tegenwerpt dat zij de gevraagde gegevens niet tijdig heeft overgelegd en dat het college heeft verzocht om gegevens welke nog niet eerder zijn opgevraagd waardoor de intrekking ten onrechte is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van

de PW. Het college heeft zich wel terecht op het standpunt gesteld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van een betaalrekening van haar zoon en twee spaarrekeningen. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor herziening of voor intrekking op

grond van artikel 54, derde lid, van de PW. Het college heeft daarover in het bestreden

besluit nog geen standpunt ingenomen. Appellante betwist in hoger beroep dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden op de manier zoals door de rechtbank is vastgesteld.

Het college heeft op 15 september 2016 (nader besluit) een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en heeft het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante tijdens een gesprek op 21 december 2015 in het kader van een nieuwe aanvraag heeft verklaard dat zij reeds langdurig, in ieder geval langer dan een jaar, de beschikking had over de bankpas van de heer [naam G] (G) en hiervan gebruik kon maken en ook maakte. Daarnaast heeft zij verklaard dat het maandelijkse inkomen van G € 1.700,- bedroeg. Uit deze verklaring volgt dat appellante op en voorafgaande aan 13 juni 2015 niet in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde. Door niet eerder dan op 21 december 2015 te verklaren dat zij toegang en de beschikking had tot middelen heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden waardoor het college bevoegd is de bijstand in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, van de PW.

Nu het college met het nadere besluit de intrekking heeft gebaseerd op een andere feitelijke grondslag dan het bestreden besluit en dan waarover de rechtbank heeft geoordeeld, heeft appellante geen procesbelang meer bij een oordeel in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak over de door haar aangevoerde grond. Appellante heeft tegen het nadere besluit geen gronden aangevoerd. Hieruit volgt dat het beroep tegen het nadere besluit niet slaagt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) C.A.E. Bon (getekend) O.L.H.W.I. Korte

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

LO