Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
16/6918 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7447, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft geen recht meer op ziekengeld. Wat appellant in hoger beroep, zonder nadere medische onderbouwing, heeft aangevoerd, levert geen nieuwe gezichtspunten op ten opzichte van de over appellant reeds bekende en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar bij de beoordeling betrokken medische gegevens. Dat appellant al op 18 maart 2015 wegens een CTS aan de rechterhand niet in staat zou zijn geweest om zijn maatgevende arbeid te verrichten, vindt geen bevestiging in de voorhanden zijnde medische gegevens. Hieruit volgt dat geen twijfel bestaat over het standpunt van het Uwv. Voor het inschakelen van een deskundige, zoals door appellant is verzocht, bestaat daarom geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6918 ZW

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 oktober 2016, 16/45 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Voor appellant is verschenen, mr. A. El Idrissi, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als huismeester voor 38 uur per week. Zijn dienstverband is op 3 juni 2013 geëindigd. Appellant heeft zich op 10 november 2014 ziek gemeld met rugklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 17 maart 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 18 maart 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van huismeester. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2015 vastgesteld dat appellant per 18 maart 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

26 mei 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2015 ten grondslag.

1.3.

Bij brief van 30 mei 2015 heeft appellant het Uwv verzocht nogmaals naar zijn zaak te kijken omdat hij niet begrijpt dat de verzekeringsarts een andere conclusie heeft dan zijn huisarts, die hem wegens CTS-klachten heeft doorverwezen naar de neuroloog. Het Uwv heeft bij brief van 4 juni 2015 aan appellant gemeld dat, indien uit het bezoek van de neuroloog mocht blijken dat sprake is van nieuwe medische feiten, hij een verzoek kan indienen om terug te komen van de beslissing van 17 maart 2015.

1.4.

Bij brief van 30 september 2015 heeft appellant het Uwv verzocht het besluit van

17 maart 2015 te herzien. Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 17 maart 2015. Aan dit besluit ligt een rapport van verzekeringsarts U.T. Benie van 28 oktober 2015 ten grondslag. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van appellant heeft het Uwv bij besluit van 11 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, J.C. Kokenberg van 10 december 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv de brief van 30 mei 2015 had moeten aanmerken als een beroepschrift en daarom op grond van art 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht had moeten doorzenden naar de rechtbank. Tevens stelt appellant zich – kort weergegeven – op het standpunt dat wel sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden en heeft daarbij verwezen naar de informatie van de neuroloog van

26 augustus 2015 waarin staat vermeld dat bij appellant een carpaal tunnel syndroom is vastgesteld. Zijn beperkingen in de rechterhand en rechterpols zijn dan ook te objectiveren en is appellant van mening dat hij daarom op 18 maart 2015 niet in staat was om zijn arbeid in de functie van huismeester te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat in hoger beroep alleen nog de vraag ter beoordeling voorligt of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 18 maart 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij op die datum geschikt wordt geacht voor zijn laatst verrichte arbeid in de functie van huismeester.

4.2.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.3.

Er wordt geen aanleiding gezien om te oordelen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen onzorgvuldig is verricht. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts appellant op het spreekuur van 17 maart 2015 lichamelijk heeft onderzocht en daarbij ook op de hoogte was van de omstandigheid dat appellant op dat moment sinds twee dagen last had van tintelingen in zijn rechterhand. Deze arts heeft geconcludeerd dat bij het gerichte lichamelijk onderzoek geen duidelijke beperkingen zijn te objectiveren in de rug en ook niet in de functie van de rechterhand- pols. Bij het onderzoek aan de rechterhand is vastgesteld dat de knijpkracht, de pincetgreep, de bolgreep en de cilindergreep ongestoord waren. Daarom is appellant volgens de verzekeringsarts geschikt te achten voor zijn eigen werk dat niet zwaar rugbelastend is, met voldoende afwisseling in zitten, staan en lopen en waarbij appellant niet zwaar hoeft te tillen.

4.4.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van het bezwaar van appellant het dossier bestudeerd. In het rapport van 21 mei 2015 heeft deze arts vermeld dat de doorverwijzing van de huisarts naar de neuroloog eerst op 2 april 2015 heeft plaatsgevonden. Daarbij is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook van belang dat de verzekeringsarts geen (neurologische) afwijkingen heeft vastgesteld en dat het eigen werk van appellant niet als fysiek belastend kan worden aangemerkt. De bevindingen van de verzekeringsarts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook onderschreven. De nadien ingebrachte informatie van de behandelend neuroloog, waaruit blijkt dat op

26 augustus 2015 een CTS rechts is vastgesteld en dat op 28 oktober 2015 een ingreep aan de rechterpols is uitgevoerd door een neurochirurg, maakt niet dat appellant op 18 maart 2015 niet in staat zou zijn geweest om zijn werk te verrichten. Appellant had op dat moment sinds zeer kort last van nachtelijke tintelingen in zijn rechterhand, waar geen arbeidsbelemmerende impact aan kan worden toegeschreven. Dit staat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep los van het feit dat later een CTS is gediagnosticeerd of dat deze aandoening is behandeld, omdat die informatie immers niet ziet op de mate van belastbaarheid op de datum in geding. Dat appellant op 18 maart 2015 in staat moet worden geacht tot het verrichten van de werkzaamheden in de functie van huismeester, is met deze inzichtelijke en begrijpelijke motivering op voldoende wijze onderbouwd.

4.5.

Wat appellant in hoger beroep, zonder nadere medische onderbouwing, heeft aangevoerd, levert geen nieuwe gezichtspunten op ten opzichte van de over appellant reeds bekende en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar bij de beoordeling betrokken medische gegevens. Dat appellant al op 18 maart 2015 wegens een CTS aan de rechterhand niet in staat zou zijn geweest om zijn maatgevende arbeid te verrichten, vindt geen bevestiging in de voorhanden zijnde medische gegevens. Hieruit volgt dat geen twijfel bestaat over het standpunt van het Uwv. Voor het inschakelen van een deskundige, zoals door appellant is verzocht, bestaat daarom geen aanleiding.

4.6.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) I.G.A.H. Toma

GdJ