Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
16/6111 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juist oordeel rechtbank dat geen aanleiding bestaat om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig te achten. Inzichtelijke motivering. In hoger beroep heeft appellante geen medische stukken overgelegd om haar stelling te onderbouwen dat een onjuist beeld bestond van haar beperkingen op 23 juni 2015. De functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6111 ZW

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 augustus 2016, 16/843 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.C. de Bie, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als receptioniste/telefoniste voor 28 uur per week. Op 23 mei 2014 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 1 april 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 april 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 92,32% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 6 mei 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 23 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de door de verzekeringsarts opgestelde FML op enkele aspecten te wijzigen en heeft een nieuwe FML van 22 december 2015 opgesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard met veroordeling van het Uwv in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht omdat naar het oordeel van de rechtbank eerst in beroep een afdoende motivering is gegeven op de geschiktheid van appellante voor de geduide functies.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij lichamelijk en psychisch verder beperkt moet worden dan door het Uwv is vastgesteld in de FML van 22 december 2015. Voor haar psychische klachten zijn ten onrechte vrijwel geheel geen beperkingen aangenomen. Appellante stelt dat sprake is van burn‑out klachten en dat zij kampt met een ernstige depressie en een ernstige gegeneraliseerde angststoornis, zodat sinds augustus 2015 hulp van de GGD is geïndiceerd. Appellante acht zich daarom niet in staat de geduide functies te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig te achten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en op de hoogte was van de voortdurende zorg en belasting in de privésfeer. Ook zijn de linkerschouderklachten door de verzekeringsarts bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar van appellante dossierstudie verricht en heeft haar op 3 december 2015 lichamelijk en psychisch onderzocht. Daarbij beschikte deze arts ook over de informatie van de huisarts van 8 september 2015. Over hun bevindingen hebben de verzekeringsartsen inzichtelijk en begrijpelijk gerapporteerd.

4.2.2.

In het rapport van 22 december 2015 heeft deze verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de door de verzekeringsarts opgestelde FML in grote lijnen kan worden gevolgd, maar heeft appellante wegens de artrose in het AC-gewricht van de linkerschouder op schroefbewegingen links aanvullend beperkt geacht. Gelet op de surmenageklachten is ook structureel overwerk niet haalbaar, zodat appellante ook op dat aspect aanvullend beperkt is geacht. Vanuit de aandoeningen van appellante geredeneerd zijn er dan geen medische redenen om aan te nemen dat appellante zich niet met fysiek lichte, niet stresserende arbeid kan belasten. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat de ingebrachte verklaring van de huisarts, waaruit blijkt dat appellante al langere tijd onder controle is wegens een depressie met klachten van moeheid en somberheid en veel last heeft van artrose in haar schouders en nek, geen ander licht op de arbeidsmogelijkheden werpt. Er is geen sprake van een depressie in engere zin en ook niet van een ingestelde adequate behandeling. De artrose in de schouder is bekend, maar voor artrose in andere gewrichten zijn geen aanwijzingen gevonden.

4.2.3.

Het in beroep overgelegde triageverslag van 12 juni 2015 en het Plan van Aanpak van het sociale wijkteam GGD, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gegeven voor een wijziging van de vastgestelde beperkingen. Er is geen sprake van nieuwe medische gezichtspunten in vergelijking met de al in het dossier aanwezige informatie. Met de door de huisarts verstrekte informatie over de aard en de ernst van de psychische problematiek is al bij de vaststelling van de beperkingen in de FML van 22 december 2015 rekening gehouden.

4.3.

Met de onder 4.2.2 en 4.2.3 weergegeven inzichtelijke motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt, evenals de rechtbank heeft geoordeeld, ingestemd. Daarbij is ook van belang dat appellante in hoger beroep geen medische stukken heeft overgelegd om haar stelling te onderbouwen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van haar beperkingen op de datum in geding, 23 juni 2015. Dat zij verder beperkt moet worden geacht dan in de FML van 22 december 2015 is aangenomen, vindt geen bevestiging in de beschikbare en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar bij de beoordeling betrokken medische informatie.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.

(getekend) A.T. Kwaasteniet

(getekend) I.G.A.H. Toma

GdJ