Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
16/5852 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3089, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5948, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5852 ZW

Datum uitspraak: 9 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
2 augustus 2016, 16/328 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.H. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L.J.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als financieel beleidsmedewerker voor 36 uur per week. Zijn dienstverband is op 31 oktober 2013 geëindigd. Appellant heeft zich op
15 september 2015 ziek gemeld met oogklachten en psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 27 oktober 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts in dienst van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 3 november 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van financieel beleidsmedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 oktober 2015 vastgesteld dat appellant per 3 november 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
1 december 2015 ten grondslag.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn conclusie heeft onderbouwd – mede op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts die een anamnese heeft afgenomen en die appellant lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, gelet op het gestelde in het bezwaarschrift en het verhandelde op de hoorzitting van 26 november 2015 – en gelet op de overige gedingstukken, het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de conclusie van het Uwv kan onderbouwen.

2.2.

Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om het medisch standpunt dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd heeft toegelicht dat niet is gebleken dat de informatie van de behandelend psychiater van 8 juni 2016 betrekking heeft op de datum in geding. De huisarts volstond rond die tijd met steunende gesprekken op de huisartspost. Uit de informatie die appellant aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verstrekt blijkt ook niet van een ernstig invaliderende psychiatrische stoornis. Uit de informatie van de oogarts blijkt dat sprake is van succesvolle ingrepen met een goede restvisus. Het verrichten van een administratieve functie was op de datum in geding om die reden niet gecontra-indiceerd. Ten slotte heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat met inachtneming van de behandelovereenkomst van 13 juni 2016 door het Uwv niet wordt ontkend dat sprake is van gezondheidsklachten, maar dat niet is gebleken dat deze klachten op de datum in geding,

3 november 2015, zodanig waren dat appellant zijn arbeid niet zou kunnen verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de psychische klachten al op
3 november 2015 aanwezig waren. Daarbij heeft appellant verwezen naar de informatie van de psychiater van 8 juni 2016 en vermeld dat de huisarts hem op 21 december 2015 heeft doorverwezen en dat hij vanaf februari 2016 onder behandeling is bij psychiater M.H.G. Tan. Dat hij niet van de eerdere doorverwijzing door de huisarts op 24 juni 2013 gebruik heeft gemaakt is niet ongebruikelijk bij iemand met psychische problematiek. Dit past immers ook bij de klachten die hij ervaart, waaronder vermijding, wat ook door de psychiater wordt genoemd. Ten tijde van de ziekmelding op 15 september 2015 als gevolg van de netvliesloslating waren de psychische klachten volgens appellant al behoorlijk fors. Daarom stelt appellant dat hij op 3 november 2015 niet in staat was om zijn arbeid te verrichten, waarbij de door de verzekeringsarts gehanteerde diagnose surmenage niet juist is. Ten slotte stelt appellant dat zijn arbeid dusdanig psychisch belastend is dat, ook al zou sprake zijn van surmenageklachten, deze arbeid met de klachten van appellant niet verricht kan worden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere informatie van behandelend psychiater Tan van 8 maart 2018 en zijn huisarts van 20 februari 2018 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. Van de aard en de zwaarte van de werkzaamheden in een dergelijke functie hebben de betrokken verzekeringsartsen een voldoende duidelijk beeld gehad, gelet op het door appellant bij het formulier medische beoordeling gevoegde curriculum vitae.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.3.

Daar wordt nog het volgende aan toegevoegd. De in hoger beroep overgelegde medische informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd dat uit de in het dossier aanwezige informatie niet kan worden afgeleid dat bij appellant op
3 november 2015 sprake was van een ernstig invaliderende psychiatrische stoornis. De informatie van psychiater Tan is in algemene termen opgesteld en daaruit valt onder meer niet op te maken welke oorzaak aan de PTSS-klachten ten grondslag ligt, en in welke mate appellant meer belemmerd wordt om te werken dan reeds in de beoordeling is betrokken. Psychiater Tan stelt op 8 maart 2018 dat reactivering met een goede kans van slagen inderdaad gunstig en vertrouwensherstellend kan werken, maar dat re‑integreren in het oude werk nog gecompliceerd ligt omdat die omgeving een deel van zijn traumata was. Nu een beoordeling op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW juist niet ziet op re-integratie in het oude werk, bestaat geen twijfel aan het standpunt van het Uwv dat appellant niet geschikt zou zijn tot het verrichten van werkzaamheden in de functie van financieel beleidsmedewerker die gewoonlijk kenmerkend zijn bij een soortgelijke werkgever. Het Uwv heeft daarom op goede gronden besloten dat appellante per 3 november 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM