Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
15/4647 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang bij beoordeling hoger beroep. College ziet af van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4647 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 juni 2015, 14/7055 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

Datum uitspraak: 8 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/2707 WWB en 17/3221 PW, plaatsgevonden op 27 maart 2018. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Calmera. In de gevoegde zaken is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 9 augustus 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de bijstand verleend

in de vorm van een geldlening, omdat appellante een beroepsprocedure had lopen over de beëindiging van haar uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

1.2.

Bij besluit van 26 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 17 maart 2014 tot en met 22 maart 2014 (periode in geding). Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante in deze periode was gedetineerd, zodat zij ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand gedurende die periode was uitgesloten van het recht op bijstand.

1.3.

Bij besluit van 10 september 2014, voor zover hier van belang, heeft het college de in de vorm van een geldlening verleende bijstand tot een bedrag van € 18.294,62 van appellante teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van

17 maart 2015 gegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het college afgezien van de terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat haar detentie niet tot intrekking van de bijstand had moeten leiden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1420) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd verklaard dat de in 1.3 bedoelde terugvordering, waarvan het college heeft afgezien, tevens ziet op de periode in geding. Tevens heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat het college niet voornemens is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de gemaakte kosten van bijstand over de periode in geding (alsnog) terug te vorderen.

4.3.

Gelet op 4.2 heeft de intrekking van de leenbijstand over de periode in geding geen feitelijk gevolg voor appellante. Gelet op 4.1 heeft appellante daarom geen voldoende procesbelang bij een beoordeling van haar hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) F. Dinleyici

LO