Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
16/3716 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medisch onderzoek Uwv was zorgvuldig. Uitslag onderzoeken niet onjuist. Geen aanleiding appellant beperkt te achten voor ploegendienst. Door onjuiste maatstaf in bestreden besluit is appellant niet benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3716 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 april 2016, 15/8458 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 mei 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als centralist telefooncentrale voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 14 januari 2014 geëindigd. Appellant heeft zich op 23 januari 2015 ziek gemeld met schouder- en knieklachten. Daarnaast heeft hij hoofdpijnklachten, slaapproblemen en vermoeidheidsklachten gemeld. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 11 juni 2015 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts i.o. Deze arts heeft appellant per 15 juni 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van centralist telefooncentrale. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 11 juni 2015 vastgesteld dat appellant per 15 juni 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 oktober 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is verricht. Van belang is geacht dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat zij aandacht heeft besteed aan alle klachten van appellant. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het rapport van deze arts van 3 maart 2016, geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de uitslag van het medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom zij in de door appellant ingediende informatie van de huisarts geen aanleiding heeft gezien haar standpunt te wijzigen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen, zoals door appellant verzocht is. De rechtbank heeft vervolgens, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 6 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672, geoordeeld dat het door appellant in ploegendienst moeten werken bij zijn voormalig werkgever als een bijzonder verzwarend aspect van het werk dient te worden beschouwd zodat het Uwv hiermee geen rekening hoefde te houden bij de beoordeling van de geschiktheid van appellant voor zijn arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ploegendienst als een bijzonder verzwarend aspect in de functie van taxicentralist zou moeten worden gezien. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het in ploegendienst moeten werken in de functie standaard is en dit vereiste door iedere werkgever wordt gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 augustus 2016 en verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 augustus 2016, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

In hoger beroep heeft het Uwv erkend dat als maatstaf arbeid de functie van centralist met onregelmatige werktijden geldt. Aan het bestreden besluit ligt dus een onjuiste maatstaf arbeid ten grondslag en de rechtbank heeft ten onrechte de onregelmatige werktijden als een bijzonder verzwarend aspect beschouwd.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is te oordelen dat de uitslag van die onderzoeken onjuist was. In haar nader rapport van 18 augustus 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen aanleiding is appellant beperkt te achten voor ploegendienst, nu bij de medische onderzoeken geen ernstige psychopathologie is vastgesteld. Zoals uit het rapport van de verzekeringsarts i.o. van 11 juni 2015 blijkt, was appellant ook niet onder behandeling.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van appellant tegen het besluit dat hij geen recht meer heeft op ziekengeld per 15 juni 2015 ongegrond is verklaard. Het gebrek dat bij het bestreden besluit een onjuiste maatstaf was gehanteerd zal met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. De aangevallen uitspraak zal, met in achtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, worden bevestigd.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep wegens verleende rechtsbijstand heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 1.002,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM