Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1371

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
16/3795 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2635, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking in verband met niet overleggen gevraagde gegevens over hennepkwekerij en kasstortingen. Brief terecht naar postadres gestuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3795 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 april 2016, 15/6651 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (college)

Datum uitspraak: 8 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.C. Sneep, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.M.F.N. Baeten en D.G.H. Wagemakers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 6 maart 2009, met onderbrekingen, bijstand, laatstelijk

ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond tot

2 maart 2015 in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Vanaf 2 maart 2015 stond appellant in de BRP ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] .

1.2.

Nadat uit informatie van de politie was gebleken dat op 11 februari 2015 in de woning

op het uitkeringsadres een in bedrijf zijnde hennepkwekerij was aangetroffen met in totaal 180 planten, heeft een klantmanager, werkzaam bij de gemeente [plaatsnaam] , bij brief van 26 februari 2015 appellant verzocht om uiterlijk 3 maart 2015, 09:00 uur, nader genoemde gegevens over te leggen, waaronder bankafschriften met een controleerbare en verifieerbare verklaring over de herkomst van eventuele kasstortingen op eigen rekening en gegevens over de inkomsten uit de hennepkwekerij en de bekostiging daarvan. Appellant heeft op dit verzoek niet gereageerd.

1.3.

Bij besluit van 5 maart 2015 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 3 maart 2015 opgeschort. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om zijn verzuim uiterlijk 12 maart 2015 voor 09:00 uur te herstellen en hem gewaarschuwd dat de bijstand wordt ingetrokken als hij de gevraagde informatie niet volledig aanlevert. Op 12 maart 2015 heeft appellant gegevens aangeleverd.

1.4.

Bij besluit van 26 maart 2015 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 3 maart 2015 ingetrokken op de grond dat hij niet binnen de gestelde termijn het verzuim (volledig) heeft hersteld.

1.5.

Bij besluit van 3 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Opschorting

4.1.

Het bestreden besluit berust op toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW. Ingevolge die bepaling heeft het bijstandverlenend orgaan de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.

4.2.

Vaststaat dat het gaat om voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens en dat het college ter zake van het overleggen daarvan niet een onredelijk korte termijn heeft geboden. Voorts staat vast dat appellant heeft nagelaten tijdig de door het college gevraagde gegevens over te leggen.

4.3.

De beroepsgrond dat appellant ter zake geen verwijt valt te maken, omdat de brief van 26 februari 2015 naar een postadres is gestuurd en niet naar zijn juiste adres waardoor hij de brief niet tijdig heeft ontvangen, slaagt niet. De brief van 26 februari 2015 is geadresseerd aan het uitkeringsadres, waarop appellant op dat moment in de BRP stond ingeschreven, en is op 26 februari 2015 door twee medewerkers van de gemeente [plaatsnaam] in de brievenbus van de woning op het uitkeringsadres gedeponeerd. Dat appellant het college er niet van op de hoogte heeft gesteld dat hij niet meer op het uitkeringsadres woonde, komt voor zijn rekening en risico.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat aan de voorwaarden van de toepassing van artikel 54,

eerste lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd tot opschorting van het recht op bijstand vanaf 3 maart 2015, zijnde de dag waarop appellant geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van het college tot het overleggen van de gevraagde gegevens. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting gebruik heeft kunnen maken.

Intrekking na opschorting

4.5.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.6.

Zoals hiervoor onder 4.2 is vastgesteld, zijn de door het college bij besluit 1 aan appellant gevraagde gegevens van belang voor de verlening van de bijstand.

4.7.

Vaststaat dat appellant niet volledig de door het college bij besluit 1 verlangde informatie binnen de daartoe gestelde hersteltermijn heeft verstrekt. Appellant heeft geen gegevens verstrekt over onder meer de hennepkwekerij en de herkomst van de gelden van

de kasstortingen op de eigen rekening. Eveneens staat vast dat het college appellant er in besluit 1 uitdrukkelijk op heeft gewezen dat dit verzuim zal kunnen leiden tot intrekking van de bijstand.

4.8.

De beroepsgrond dat het niet volledig overleggen van de gevraagde gegevens appellant niet kan worden verweten, slaagt niet. Zijn stelling dat hij in een gesprek met een niet nader genoemde medewerkster van de gemeente [plaatsnaam] alles wat zij wilde zien met haar

heeft doorgenomen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Dat appellant over de hennepkwekerij geen gegevens kan overleggen, omdat die er niet zijn, moet voor rekening en risico van appellant blijven. Appellant heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verklaard dat hij de hennepkwekerij zelf heeft opgezet, dat hij daarvoor spullen op Marktplaats heeft gekocht en dat hij net was begonnen. Het lag daarom op de weg van appellant om inzicht te geven in de wijze waarop hij die hennepkwekerij heeft bekostigd en waar de gelden daarvoor vandaan kwamen. Voorts lag het op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij in het geheel geen inkomsten uit of in verband met die kwekerij had ontvangen.

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 3 maart 2015 in te trekken. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.10.

Uit 4.4 en 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en E.C.R. Schut en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.A. de Graaff

LO