Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2018
Datum publicatie
15-05-2018
Zaaknummer
16/6623 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bezwaar tegen intrekking; wel tegen terugvordering. Gehoudenheid tot terugvordering. Slechte beheersing Nederlandse taal maakt niet dat intrekking alsnog voorligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6623 PW

Datum uitspraak: 8 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

21 september 2016, 16/953 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Appellant is,

met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

D.M. Pereira Wong-Chung.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 9 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij besluit van 21 oktober 2014 (hierna: intrekkingsbesluit) heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 9 september 2011 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door drie bankrekeningnummers niet te melden. Hierdoor heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen. Appellanten hebben tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Naar aanleiding van het intrekkingsbesluit heeft het college bij besluit van 1 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2016 (bestreden besluit), de over de periode van 9 september 2011 tot en met 31 juli 2014 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 60.678,77. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de wet, anders dan de commissie voor bezwaarschriften stelt, geen ruimte biedt om met eventuele (verminderde) verwijtbaarheid rekening te houden bij terugvorderingen die voortvloeien uit het schenden van de inlichtingenverplichting.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom van het advies van de commissie voor de bezwaarschriften is afgeweken. Appellanten hebben geen rechtsmiddel ingesteld tegen het intrekkingsbesluit, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden. Dat appellanten vanwege de slechte beheersing van de Nederlandse taal hebben verzuimd tijdig bezwaar te maken, maakt dit niet anders. Met het intrekkingsbesluit is komen vast te staan dat aan appellanten over de periode 29 september 2011 tot en met 31 juli 2014 ten onrechte bijstand is verleend. De grondslag van het intrekkingsbesluit staat niet meer ter discussie. Het college was gehouden om tot terugvordering over te gaan. De uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:445, leidt niet tot een ander oordeel omdat deze ziet op een geding dat betrekking heeft op een verzoek om kwijtschelding, zoals bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In dat kader is een schending van de inlichtingenverplichting niet zonder meer een vaststaand gegeven en kan deze schending daar in volle omvang aan de orde worden gesteld. Omdat in dit geval sprake is van een verplichting tot terugvordering, is de zogeheten zesmaandenjurisprudentie niet van toepassing. In wat appellanten hebben aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen om van terugvordering af te zien.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten voeren aan dat zij vanwege de slechte beheersing van de Nederlandse taal geen bezwaar hebben gemaakt tegen de intrekking. Zij stellen dat de schending van de inlichtingenverplichting bij de terugvordering nog aan de orde kan worden gesteld en verwijzen hiervoor naar de uitspraken van 3 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:445, van 24 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1947 en van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3024. Voorts stellen appellanten dat het college aanleiding had moeten zien een lager terugvorderingsbedrag vast te stellen omdat het al op 6 juni 2013 bekend was met het bestaan van de bankrekeningen pas na drie jaar een heronderzoek heeft verricht, waardoor de vordering onnodig lang is opgelopen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn nagenoeg een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan toe dat het beroep van appellanten op de uitspraken van 24 mei 2016 en 28 juni 2016 niet slaagt. In deze uitspraken is geoordeeld dat een in rechte onaantastbaar besluit tot herziening of intrekking niet met zich meebrengt dat de schending van de inlichtingenverplichting met betrekking tot een opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is. In het kader van de oplegging van de boete kan de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting in volle omvang worden beoordeeld. Dit oordeel ziet op een opgelegde boete en houdt verband met de onschuldpresumptie. In het onderhavige geval

ligt echter geen boetebesluit voor. Een beoordeling van de schending van de inlichtingenverplichting, zoals appellanten voorstaan, kan dan ook niet meer in dit geding aan de orde komen.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.E. Bon

IJ