Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
16/4636 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4636 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 juni 2016, 15/5605 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. Eryilmaz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Y. Eryilmaz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerkster. Op
19 februari 2014 heeft zij zich ziek gemeld met psychische en fysieke klachten. Op dat moment ontving appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 13 mei 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 mei 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 85,80% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 27 mei 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 1 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Bij besluit van 4 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2015 ongegrond verklaard. Daaraan lag het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2015 ten grondslag. In de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast en aan de beoordeling ten grondslag gelegd een FML van 9 oktober 2015. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens, met inachtneming van de aangepaste FML, vastgesteld dat drie van de vijf eerder geselecteerde functies (nog steeds) geschikt zijn. Hij heeft de verdiencapaciteit van appellante vastgesteld op 75,43%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden en er geen reden is aan de juistheid van het medisch oordeel te twijfelen. Dat appellante is verwezen naar een revalidatiearts betekent niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld had van de medische situatie. Ook de verwijzing naar een psychiater in april 2015 leidt niet tot ander oordeel. Appellante is voor een andere behandeling doorverwezen, niet vanwege een verslechtering van de klachten. Raadpleging van de behandelend sector door de verzekeringsarts(en) was niet aangewezen. Appellante heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar psychische en fysieke klachten zijn onderschat. Het Uwv had nader onderzoek moeten doen. In april 2015 is appellante door de psycholoog en op 25 maart en 4 mei 2015 door de huisarts naar een psychiater verwezen. Voor haar fysieke klachten was zij onder behandeling bij een fysiotherapeut, die haar heeft verwezen naar een revalidatiearts. In het verslag van 23 mei 2015 heeft de fysiotherapeut vermeld dat de pijnklachten van appellante ondanks vier maanden therapie zijn verergerd. Raadpleging van de behandelend sector was dan ook aangewezen om te kunnen beoordelen of behandeling een beduidend effect zou hebben. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte de beperkingen op de items emotionele problemen van anderen hanteren, eigen gevoelens uiten en klant-/patiëntcontact laten vallen. Ter onderbouwing heeft appellante een brief van de revalidatiearts van 25 mei 2016 ingezonden. Appellante is ook beperkt op de items geheugen, verdelen van aandacht, omgaan met conflicten en samenwerken. Gelet op het orthopedisch onderzoek moet zij in de rubriek statische houdingen meer beperkt worden geacht. Ze lijdt mogelijk aan fibromyalgie. Appellante heeft een ‘Overzicht poliklinische afspraken’ van het Zaans Medisch Centrum, betreffende de periode van 24 september 2014 tot en met 2 mei 2017 ingezonden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft erop gewezen dat appellante beoordeeld is in het kader van een EZWb en niet op basis van het laatste werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 september 2016 vermeld dat de revalidatiearts volgens de ingezonden informatie de depressie bevestigt en dat hij stijve spieren met pijn in bovenarm en rug constateert. Hij heeft erop gewezen dat hij in het rapport van 10 februari 2016 voldoende heeft toegelicht waarom de beperkingen ten aanzien van sociaal functioneren – te weten eigen gevoelens uiten, emotionele problemen van anderen hanteren en klant-/patiëntcontact – komen te vervallen en waarom een beperking op het item vasthouden van aandacht is toegevoegd. De geclaimde aanvullende beperkingen in het persoonlijk functioneren zijn niet onderbouwd, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat geen verdere raadpleging van de behandelend sector vereist was. Ten tijde van de beoordeling door de primaire verzekeringsarts in mei 2015 was appellante niet meer onder behandeling bij psycholoog/praktijkondersteuner GGZ C. Melse. Pas in juni 2015, na het primaire besluit van 27 mei 2015, heeft een eerste contact met een psychiater plaatsgevonden. In bezwaar was informatie van de huisarts, psycholoog en fysiotherapeut voorhanden. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 oktober 2015 blijkt dat de bezoeken aan een psychiater zijn vermeld en is verder inzichtelijk de informatie van de huisarts en psycholoog weergegeven. Het onderzoek in bezwaar en de aanwezige informatie heeft geleid tot bijstelling van de beperkingen, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep die wijziging in het rapport heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts is kenbaar uitgegaan van de weergegeven stemmingsklachten (somberheid), geringe energie, passiviteit. In het rapport van 10 februari 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht dat geen aanleiding bestond de behandelend sector over de psychische situatie van appellante te raadplegen, omdat zijn oordeel in lijn was met die van de huisarts en de psycholoog. Gelet op wat over de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overwogen is er geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. Appellante stond ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts in mei 2015 onder behandeling van een fysiotherapeut en was ten tijde van de beoordeling in bezwaar in behandeling bij een revalidatiearts. Uit die informatie kan evenmin worden afgeleid dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. De revalidatiearts vermeldt dat appellante eerst na het besluit van 27 mei, namelijk 29 juni 2015, is gezien. De door de revalidatiearts in de brief van 27 januari 2016 vermelde depressieve klachten, geringe activiteiten en wisselend energieniveau heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 september 2016 terecht als een bevestiging van de in aanmerking genomen gegevens aangemerkt.

4.3.

Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die steun bieden aan haar standpunt dat haar beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Dat uit het ingebrachte afsprakenoverzicht blijkt dat in de loop van de zomer en het najaar van 2015 een meer intensieve behandeling door de revalidatiearts en psychiater is gestart is onvoldoende om aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Behoudens genoemd overzicht heeft appellante geen enkele concrete gegevens over die meer intensieve behandelingen ingebracht en blijken die ook niet uit de aanwezige gegevens van de huisarts en de revalidatiearts.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

CVG