Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/5508 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen voertuigen met aanzienlijke waarde op naam van appellante gesteld. Vermogen boven de grens. Niet voor hele periode voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5508 WWB en 16/6309 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

7 juli 2016, 15/161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.K. Cheng, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 11 augustus 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cheng. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D. Klasen en P.R. Klijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 december 1996 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van de bevindingen van de Dienst Stadsbeheer, afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente [woonplaats], dat onder meer op de kavels van appellante en [naam G] (G) van een woonwagencentrum aan de [Adres A] te [woonplaats] een illegaal café was aangetroffen, heeft de Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd, waaronder die van de Dienst Wegverkeer (RDW), gegevens gevraagd bij de afdeling Motorrijtuigenbelasting van de Belastingdienst en het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) en getuigen gehoord. Verder heeft op 29 augustus 2013 een doorzoeking van de woonwagen van appellante plaatsgevonden en zijn diverse goederen, waaronder een [Auto A] met kenteken

[nummer 1] ([Auto A]), in beslag genomen. Uit de informatie van de RDW blijkt dat appellante in de periode hier van belang zes auto’s op naam heeft gehad, te weten van

3 september 2002 tot en met 19 november 2004 een [Auto B] met kenteken

[nummer 2] ([Auto B]), van 5 januari 2005 tot en met 11 november 2010 een [Auto C] met kenteken [nummer 3] ([Auto C]), van 25 november 2006 tot en

met 20 februari 2007 een [Auto D] met kenteken [nummer 4] ([Auto D]), van

6 februari 2012 tot en met 21 mei 2012 een [Auto E] met kenteken [nummer 5] ([Auto E]), van 23 mei 2012 tot en met 25 mei 2012 een [Auto F] met kenteken [nummer 6] ([Auto F]) en vanaf 7 juli 2012 de [Auto A]. De sociale recherche heeft appellante op 29 en 31 augustus 2013 en op 1 september 2013 en G op 16 oktober 2013 verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 22 oktober 2013.

1.2.

Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft het college bij besluit van

24 september 2013 de bijstand van appellante met ingang van 1 december 1996 ingetrokken. Tevens heeft het college bij afzonderlijk besluit van 24 september 2013 de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 214.516,14 van appellante teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 24 september 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante en G een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellante daarvan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt. Daarnaast ligt aan de besluitvorming ten grondslag dat appellante gelet op de bevindingen van het onderzoek ten aanzien van contante gelden en voertuigen over middelen kon beschikken, zodat geen sprake is van een bijstandsbehoeftige situatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 1 december 1996 tot 3 september 2002 en van 19 november 2004 tot 5 januari 2005, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de intrekking over deze perioden en de terugvordering betreft, het besluit van 24 september 2013 voor zover het de intrekking over deze perioden betreft herroepen en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren van appellante te beslissen voor zover het de terugvordering betreft. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen dat appellante in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met G. Appellante heeft in de periode van 3 september 2002 tot 19 november 2004 en van

5 januari 2005 tot en met 31 augustus 2013 wel de beschikking gehad over vermogen dat boven de voor haar geldende vrij te laten vermogensgrens uitging dan wel heeft zij de beschikking gehad over financiële middelen om in de noodzakelijks kosten van bestaan te kunnen voorzien. Om die reden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante in die perioden geen recht op bijstand had.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit de over de perioden van 3 september 2002 tot 19 november 2004 en van 5 januari 2005 tot en met

31 augustus 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 145.687,98 van appellante teruggevorderd.

4. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het betreft de intrekking en terugvordering over de perioden van 3 september 2002 tot 19 november 2004 en van 5 januari 2005 tot en met

31 augustus 2013.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt met toepassing van artikel 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Ter zitting bij de Raad heeft het college de intrekking van de bijstand over de perioden dat geen voertuig op naam van appellante heeft gestaan, te weten de perioden van

12 november 2010 tot en met 5 februari 2012 en van 22 mei 2012 tot 23 mei 2012 en van

26 mei 2012 tot en met 6 juli 2012 niet gehandhaafd. Dit betekent tevens dat de grondslag aan de terugvordering over deze perioden is komen te ontvallen. Om die reden slaagt het hoger beroep van appellante voor zover deze ziet op de intrekking van de bijstand van appellante over deze perioden.

5.3.

Tussen partijen zijn nog de periode van 3 september 2002 tot en met 19 november 2004 (periode 1), de periode van 5 januari 2005 tot en met 11 november 2010 (periode 2), de periode van 6 februari 2012 tot en met 21 mei 2012 (periode 3), de periode van 23 mei 2012 tot en met 25 mei 2012 (periode 4) en de periode van 7 juli 2012 tot en met 24 september 2013, zijnde de datum van het intrekkingsbesluit (periode 5).

5.4.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.5.1.

Vaststaat dat in de perioden in geding op naam van appellante de in 1.2 genoemde voertuigen stonden geregistreerd bij de RDW. Het gegeven dat een kentekenbewijs van een voertuig op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit voertuig een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Appellante is daar niet in geslaagd. Daartoe is het volgende van belang.

5.5.2.

Het kenteken van de [Auto B] stond in de periode in geding 1 op naam van appellante geregistreerd. Met de stelling dat deze [Auto B] niet aan appellante maar aan de moeder van G toebehoorde, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over de [Auto B] kon beschikken en dat deze niet tot haar vermogen behoorde. Appellante heeft immers ook feitelijk over deze [Auto B] beschikt en heeft verklaard dat deze auto later door de moeder van G aan haar is geschonken. Appellante heeft echter geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat niet appellante maar de moeder van G in periode 1 over deze [Auto B] kon beschikken. De door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de verzekeringsmaatschappij betreffende de [Auto B] van 8 mei 2012 is niet als zodanig aan te merken, reeds nu deze niet ziet op periode 1.

5.5.3.

De kentekens van de [Auto C] en de [Auto D] stonden in periode 2, het kenteken van de [Auto E] in periode 3, het kenteken van de [Auto F] in periode 4 en het kenteken van de [Auto A] staat vanaf 7 juli 2012 en daarmee in periode 5 op naam van appellante geregistreerd. Met de stelling dat deze auto’s niet aan appellante maar aan haar moeder toebehoorden, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over deze auto’s kon beschikken en dat deze niet tot haar vermogen behoorden. Ook ten aanzien van de

[Auto C], de [Auto D], de [Auto E], de [Auto F] en de [Auto A]

is niet in geschil dat appellante feitelijk over deze auto’s heeft beschikt en daar in de

perioden respectievelijk 2 tot en met 5 gebruik van heeft gemaakt. Appellante heeft op

29 augustus 2013 tegenover de sociale recherche onder meer verklaard dat zij de

[Auto A] zowel met haar moeder als alleen gebruikt. De [Auto A] staat bij de

wagen van appellante en ook de kinderen van appellante gebruiken deze auto wel. Daarnaast blijkt uit de factuur van de aankoop van de [Auto A] van 7 juli 2002 dat deze op naam van appellante is aangekocht. Getuige [naam getuige] (J) heeft op 2 september 2013 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij de [Auto A] aan appellante heeft verkocht voor

€ 28.000,-, dat daarbij de [Auto B] is ingeruild en een bedrag contant is bijbetaald. Appellante heeft voorafgaand aan de aankoop een proefrit in de [Auto A] gemaakt. Daarnaast blijkt uit de informatie van de Belastingdienst dat appellante ten aanzien van de motorrijtuigenbelasting voor de [Auto C], de [Auto E], de [Auto F] en de [Auto A] geregistreerd staat en dat deze wordt betaald vanaf een bankrekening waarop de zorgtoeslag ten behoeve van appellante wordt uitbetaald.

5.5.4.

Uit 5.5.1 tot en met 5.5.3 volgt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de perioden 1 tot en met 5 niet over de in die perioden op naam staande auto’s kon beschikken en dat deze niet tot haar vermogen behoorden. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken aan het college van het bezit van de hiervoor genoemde auto’s.

5.6.

Uit het onderzoek van de sociale recherche blijkt dat de [Auto B] met een bouwjaar 1998 een nieuwwaarde had van € 80.307,-. De waarde van de [Auto B] op

3 september 2002 heeft appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Met de verkoopwaarde op 7 juli 2012 van € 5.500,-, zoals deze blijkt uit de door appellante ondertekende inkoopverklaring, heeft het college wel aannemelijk gemaakt dat met de waarde van de [Auto B] het vermogen van appellante in de periode van 3 september 2002 tot en met 19 november 2004 in ieder geval het vrij te laten vermogen heeft overschreden. Dit betekent dat het college over periode 1, in welke periode de [Auto B] op naam van appellante heeft gestaan en tot haar vermogen moet worden gerekend, terecht heeft geconcludeerd dat appellante geen recht op bijstand heeft.

5.7.

Uit het onderzoek van de sociale recherche blijkt dat de [Auto C] nieuw is aangeschaft en dat de nieuwwaarde van de [Auto C] op 5 januari 2005 € 33.955,- tot € 33.956,- bedroeg. De dagwaarde van de [Auto C] bedroeg op 13 juni 2013 nog € 5.410,-. De enkele stelling in hoger beroep dat deze [Auto C] niet nieuw was geleverd, maar een resultaat van een oplichting van de dealer door derden, zodat de waarde aanzienlijk lager was, heeft appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Gelet op de nieuwwaarde en de dagwaarde die de [Auto C] in 2013 nog vertegenwoordigde heeft het college aannemelijk gemaakt dat dat met de waarde van de [Auto C] het vermogen van appellante in periode 2 in ieder geval het vrij te laten vermogen heeft overschreden. Daarbij komt dat in periode 2 tevens de [Auto D] op naam van appellante heeft gestaan, welke auto eveneens aan het vermogen van appellante moet worden toegerekend. Dit betekent dat het college over

periode 2 terecht heeft geconcludeerd dat appellante geen recht op bijstand heeft.

5.8.

In periode 3 heeft de [Auto E] op naam van appellante gestaan. Uit het onderzoek van de sociale recherche blijkt dat de [Auto E] als bouwjaar januari 2006 heeft en de nieuwwaarde van een [Auto E] in 2006 € 30.736,- bedroeg. Appellante heeft de waarde van de [Auto E] op 6 februari 2012 niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Met de dagwaarde van € 4.000,- die een [Auto E] op

10 januari 2018 nog vertegenwoordigde, heeft het college aannemelijk gemaakt dat de waarde van de [Auto E] op 6 februari 2012 in ieder geval boven het vrij te laten vermogen lag. Dit betekent dat het college ook over periode 3 terecht heeft geconcludeerd dat appellante geen recht op bijstand heeft.

5.9.

In periode 4 heeft de [Auto F] op naam van appellante. Uit het onderzoek van

de sociale recherche blijkt dat de [Auto F] als bouwjaar juni 2004 heeft met een nieuwwaarde in 2004 van € 34.679,-. Appellante heeft de waarde van de [Auto F] op 23 mei 2012 niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Het college heeft die waarde, gelet op een dagwaarde van € 2.500,-, die een [Auto F] op 10 januari 2018 nog vertegenwoordigde, berekend op een bedrag van € 16.291,-. Hoewel appellante terecht heeft aangevoerd dat de afschrijving van auto’s in beginsel de eerste periode een hoger bedrag zal zijn dan de afschrijving in de latere jaren, heeft het college met de berekening van een gemiddelde afschrijving per jaar, waarbij de afschrijving in de eerdere periode mogelijk hoger zal zijn geweest en in de latere periode mogelijk minder zal zijn geweest, wel aannemelijk gemaakt dat de waarde van de [Auto F] op 23 mei 2012 nog boven het vrij te laten vermogen lag. Dit betekent dat het college ook over periode 4 terecht heeft geconcludeerd dat appellante geen recht op bijstand heeft.

5.10.

In periode 5 heeft de [Auto A] op naam van appellante gestaan. Uit de factuur van de aankoop van 7 juli 2002 blijkt dat deze [Auto A] op naam van appellante is aangekocht voor een bedrag van € 28.000,-. Het college heeft dan ook ten aanzien van

periode 5 terecht geconcludeerd dat appellante geen recht op bijstand heeft.

Slotoverwegingen

5.11.1.

Gelet op 5.3 tot en met 5.10 heeft het college de bijstand van appellante in de perioden 1 tot en met 5 op juiste gronden ingetrokken. Gelet op 5.2 berust de intrekking van de bijstand van appellante over de perioden van 12 november 2010 tot en met 5 februari 2012, van

22 mei 2012 tot 23 mei 2012 en van 26 mei 2012 tot en met 6 juli 2012 echter op een ontoereikende grondslag. Dit betekent dat de grondslag aan de terugvordering van de bijstand over deze perioden eveneens is komen te ontvallen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep treft in zoverre doel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Ten behoeve van de duidelijkheid ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de proceskostenveroordeling, geheel te vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover het de intrekking van de bijstand van appellant over de perioden van 1 december 1996 tot en met 2 september 2002, van 20 november 2004 tot en met 4 januari 2005, van

12 november 2010 tot en met 5 februari 2012, van 22 mei 2012 tot 23 mei 2012 en van

26 mei 2012 tot en met 6 juli 2012 betreft. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over deze perioden en dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit tevens worden vernietigd, voor zover het de terugvordering betreft. Tevens bestaat aanleiding het besluit van 24 september 2013 te herroepen voor zover het de intrekking van de bijstand van appellante over deze perioden betreft, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. Het beroep tegen het nader besluit slaagt eveneens en het nader besluit dient te worden vernietigd.

5.11.2.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de perioden periode van 3 september 2002 tot en met 19 november 2004, de periode van 5 januari 2005 tot en met 11 november 2010, de periode van 6 februari 2012 tot en met

21 mei 2012, de periode van 23 mei 2012 tot en met 25 mei 2012 en de periode van

7 juli 2012 tot en met 24 september 2013. Nu het hier gaat om een financiële uitwerking, die de Raad zelf niet kan maken, zal het college worden opdragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 september 2013 inzake de terugvordering.

5.12.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 1.002,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de veroordeling in de kosten en de vergoeding van het griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 3 december 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 3 december 2014, voor zover het betreft de intrekking over de perioden van 1 december 1996 tot en met 2 september 2002, van 20 november 2004 tot en met 4 januari 2005, van 12 november 2010 tot en met 5 februari 2012, van 22 mei 2012 tot 23 mei 2012 en van 26 mei 2012 tot en met 6 juli 2012 en de terugvordering;

  • -

    herroept het besluit van 23 september 2013 voor zover het de intrekking over deze perioden betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 3 december 2014;

  • -

    draagt het college op met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen dat besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2016 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 11 augustus 2016;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A. Stehouwer en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J. Smolders

sg