Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1345

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/5499 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met vermogen boven de grens; auto's op naam en contante bedragen. Niet voor hele periode toereikende grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5499 WWB, 16/6310 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

7 juli 2016, 15/165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.K. Cheng, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 3 augustus 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cheng. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D. Klasen en P.R. Klijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 april 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van de bevindingen van de Dienst Stadsbeheer, afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente [woonplaats], dat onder meer op de kavels van appellant en [naam K] (K) van een woonwagencentrum aan de [Adres A] te [woonplaats] een illegaal café was aangetroffen, heeft de Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd, waaronder die van de Dienst Wegverkeer (RDW), gegevens opgevraagd bij de afdeling Motorrijtuigenbelasting van de Belastingdienst en het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) en getuigen gehoord. Verder heeft op 29 augustus 2013 een doorzoeking van de woonwagen van appellant plaatsgevonden en zijn diverse goederen, waaronder een map met offertes en (handgeschreven) nota’s met vermelding van contante betalingen en een [auto A] met kenteken [nummer 1] ([auto A]), in beslag genomen. Uit de informatie van de RDW blijkt dat appellant in de periode hier van belang twee auto’s op naam heeft gehad, te weten van 26 maart 2009 tot en met 29 april 2009 een [auto B] met kenteken [nummer 2] ([auto B]), en vanaf 29 april 2009 de [auto A]. Ook heeft appellant in de periode hier van belang vier motorfietsen op naam gehad, waaronder van 14 mei 2011 tot en met 25 april 2013 een [motor A] met kenteken [nummer a] ([motor A]), vanaf 13 augustus 2011 een [motor B] met kenteken [nummer b] ([motor B]) en van 20 augustus 2011 tot en met 2 augustus 2012 een [motor C] met kenteken [nummer C] ([motor C]). De sociale recherche heeft K op

29 en 31 augustus 2013 en op 1 september 2013 verhoord en appellant op 16 oktober 2013. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 22 oktober 2013.

1.2.

Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft het college bij besluit van

23 september 2013 de bijstand van appellant met ingang van 1 april 1997 ingetrokken. Tevens heeft het college bij besluit van 24 september 2013 de over de periode van 1 april 1997 tot en met 31 augustus 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 208.704,74 van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 23 en 24 september 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant en K een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellant daarvan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt. Daarnaast ligt aan de besluitvorming ten grondslag dat appellant en K, gelet op de bevindingen van het onderzoek ten aanzien van contante gelden en voertuigen, over middelen konden beschikken, zodat geen sprake is van een bijstandsbehoeftige situatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand over de periode van 1 april 1997 tot 26 maart 2009, het bestreden besluit vernietigd voor zover het de intrekking over die periode en de terugvordering betreft, het besluit van 23 september 2013 in zoverre herroepen en het college opgedragen opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen voor zover het de terugvordering betreft. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen dat appellant in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met K. Appellant heeft in de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 augustus 2013 wel de beschikking gehad over vermogen dat boven de grens van het voor hem geldende vrij te laten vermogen uitging dan wel heeft hij de beschikking gehad over financiële middelen om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Om die reden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in die periode geen recht op bijstand had.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit de over de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 augustus 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 64.086,20 van appellant teruggevorderd.

4. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het betreft de intrekking en terugvordering over

de periode vanaf 26 maart 2009.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Ter zitting van de Raad heeft het college de intrekking van de bijstand over de periode van 30 april 2009 tot en met 13 mei 2011 niet gehandhaafd. Dit betekent tevens dat de grondslag aan de terugvordering over deze periode is komen te ontvallen. Om die reden slaagt het hoger beroep van appellant voor zover dit ziet op de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant over de periode van 30 april 2009 tot en met 13 mei 2011.

5.3.

Tussen partijen zijn nog twee perioden in geschil. De eerste periode loopt van

26 maart 2009 tot en met 29 april 2009 (periode 1). De tweede te beoordelen periode loopt van 14 mei 2011 tot en met 23 september 2013, de datum van het intrekkingsbesluit

(periode 2).

5.4.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.5.

De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank ten onrechte de feitelijke grondslag van het bestreden besluit heeft uitgebreid door naast de in het bestreden besluit genoemde [auto B] en de [motor C] ook de overige op naam van appellant staande voertuigen bij de beoordeling te betrekken, slaagt niet. In het bestreden besluit wordt immers verwezen naar de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, zoals neergelegd in het rapport van

22 oktober 2013, en in dat rapport zijn alle op naam van appellant staande voertuigen benoemd. Dat in het bestreden besluit met betrekking tot het vaststellen van de financiële middelen dan wel het vermogen van appellant alleen de [auto B] en de [motor C] worden genoemd, betekent niet dat de feitelijke grondslag daartoe beperkt is gebleven. Daarbij komt dat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep gronden over alle in geding zijnde voertuigen heeft aangevoerd en zich daarbij niet heeft beperkt tot de onder meer genoemde voertuigen.

5.6.

Vaststaat dat in beide perioden op naam van appellant de in 1.2 genoemde voertuigen stonden geregistreerd bij de RDW. Het gegeven dat een kentekenbewijs van een voertuig op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit voertuig een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Appellant is daar niet in geslaagd. Daartoe is het volgende van belang.

5.6.1.

Het kenteken van de [auto B] stond in periode 1 op naam van appellant geregistreerd. Met de stelling dat appellant pas eigenaar van de [auto B] zou worden nadat hij de auto had betaald en van de verkoper tijd had gekregen om het geld voor de afgesproken koopprijs te lenen, maar dat de koop uiteindelijk niet is doorgezet, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in periode 1 niet over de [auto B] heeft kunnen beschikken. De [auto B] heeft niet alleen op naam van appellant geregistreerd gestaan, maar appellant heeft ook feitelijk over deze auto beschikt en heeft verklaard dat hij deze auto op

26 maart 2009 heeft meegenomen. Daarnaast blijkt uit de informatie van de Belastingdienst dat appellant ten aanzien van de motorrijtuigenbelasting voor dit voertuig geregistreerd staat en dat deze wordt betaald vanaf een bankrekening waarop de zorgtoeslag ten behoeve van appellant wordt uitbetaald. Dit betekent dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over de [auto B] kon beschikken en dat deze niet tot zijn vermogen behoorde.

5.6.2.

Het kenteken van de [auto A] staat vanaf 29 april 2009 en het kenteken van de [motor B] staat vanaf 13 augustus 2011 op naam van appellant geregistreerd. Met de stelling dat de [auto A] en de [motor B] niet aan appellant maar aan zijn moeder toebehoorden, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over de [auto A] en de [motor B] kon beschikken en dat deze niet tot zijn vermogen behoorden. Ook ten aanzien van de [auto A] en de [motor B] is niet in geschil dat appellant feitelijk over deze voertuigen heeft beschikt en daarvan in de periode van 29 april 2009 onderscheidenlijk 13 augustus 2011 tot en met heden gebruikmaakt. Daarnaast blijkt uit de factuur van de aankoop van de [auto A] van 29 april 2009 dat deze op naam van appellant is aangekocht. Getuige

[naam getuige A] heeft op 6 september 2013 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij de [auto A] aan appellant heeft verkocht en dat appellant deze auto contant heeft betaald. Voorts blijkt dat appellant ook ten aanzien van de [auto A] en de [motor B] bij de Belastingdienst betreffende de motorrijtuigenbelasting bekend is.

5.6.3.

Het kenteken van de [motor A] staat in de periode van 14 mei 2011 tot en met

25 april 2013 op naam van appellant geregistreerd. De stelling van appellant dat hij deze motor op naam heeft gezet omdat [naam A] (A) kampte met schulden en bang was dat de motorfiets in beslag zou worden genomen, heeft appellant niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. De verklaring van A en andere verklaringen van familieleden van appellant en van K kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Daarbij komt dat appellant ook ten aanzien van de [motor A] bij de Belastingdienst voor de motorrijtuigenbelasting bekend is.

5.6.4.

Het kenteken van de [motor C] staat van 20 augustus 2011 tot en met 2 augustus 2012 op naam van appellant geregistreerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij deze motor met schade heeft gekocht met de bedoeling deze op te knappen en daarvoor [naam D] (D) bereid heeft gevonden geld te investeren voor dit project. Op het moment dat D zijn investering terug wilde, heeft hij de [motor C] van appellant gekregen, zodat D feitelijk eigenaar is gebleven van deze motor. Nog daargelaten dat appellant deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, maakt dit betoog niet dat appellant niet kon beschikken over de [motor C]. Uit de verklaring van appellant blijkt juist dat hij wel heeft beschikt over deze motor, deze heeft aangekocht en ook stelt te hebben gegeven aan D. Daarbij komt dat appellant ook ten aanzien van de [motor C] bij de Belastingdienst voor de motorrijtuigenbelasting bekend is.

5.7.

Gelet op het verhandelde ter zitting en de verklaringen van appellant over de afgesproken koopprijs van de [auto B] is tussen partijen niet langer in geschil dat de waarde van de [auto B] boven de grens van het vrij te laten vermogen lag. Dit betekent dat het college over periode 1, in welke periode de [auto B] op naam van appellant heeft gestaan en tot zijn vermogen moet worden gerekend, terecht heeft geconcludeerd dat appellant geen recht op bijstand heeft.

5.8.

In periode 2 heeft de [auto A] voortdurend op naam van appellant gestaan en moet deze tot zijn vermogen worden gerekend. Gelet op het verhandelde ter zitting en de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken is echter tussen partijen niet langer in geschil dat de waarde van deze auto ten tijde van de aankoop op 29 april 2009 op € 3.750,- moet worden vastgesteld en daarmee op een bedrag dat het op van appellant van toepassing zijnde vrij te laten vermogen niet overschrijdt. In de periode van 14 mei 2011 tot en met

25 april 2013 heeft echter naast de [auto A] tevens de [motor A] op naam van appellant gestaan, welke motor tot zijn vermogen moet worden gerekend. Uit het onderzoek van de sociale recherche blijkt dat de dagwaarde van de [motor A] op 13 juni 2013 ongeveer € 4.608,- bedroeg. De waarde van de [motor A] op 14 mei 2011 heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Met de dagwaarde die deze motor ruim twee jaar later nog vertegenwoordigde, opgeteld bij de waarde van de [auto A], heeft het college wel aannemelijk gemaakt dat het vermogen van appellant in de periode van 14 mei 2011 tot en met 25 april 2013 het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen heeft overschreden. In laatstgenoemde periode hebben bovendien tevens de [motor B] en de [motor C] op naam van appellant gestaan, welke voertuigen eveneens aan het vermogen van appellant moeten worden toegerekend. Dit betekent dat het college terecht heeft vastgesteld dat appellant over de periode van 14 mei 2011 tot en met 25 april 2013 geen recht op bijstand had omdat in die periode zijn vermogen het voor appellant van toepassing zijnde vrij te laten vermogen overschreed.

5.9.

In de periode van 26 april 2013 tot en met 23 september 2013 stonden alleen de [auto A] en de [motor B] op naam van appellant. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet langer in geschil dat in die periode de waarde van deze voertuigen het voor appellant van toepassing zijnde vrij te laten vermogen niet overschreed. Het college heeft in deze periode echter tevens aan de intrekking van de bijstand van appellant ten grondslag gelegd dat appellant heeft beschikt over contante middelen en dat hij daarom niet in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde.

5.10.

Uit de gedingstukken blijkt, anders dan het college heeft aangevoerd, onvoldoende dat appellant ook in de hier nog te beoordelen periode van 26 april 2013 tot en met

23 september 2013 heeft beschikt over contante gelden. Van de door het college genoemde contante betaling van € 10.000,- aan Van Deuveren Houthandel, welke appellant begin 2013 zou hebben gedaan, is onduidelijk gebleven wanneer deze zou zijn gedaan. Dit is ook niet uit de door appellant overgelegde handgeschreven notitie af te leiden. Getuige [naam X] ([X]) heeft op 20 september 2013 tegenover de sociale recherche evenmin gesproken over een datum waarop dit bedrag zou zijn ontvangen. Daarbij komt dat appellant heeft verklaard dat hij weliswaar in 2013 een contante betaling aan [X] heeft verricht, maar dat hij daarbij namens zijn nichtje heeft opgetreden die op dat moment bezig was met een verbouwing. Dat en op welk moment appellant zou hebben beschikt over dit geldbedrag berust daarmee op onvoldoende feitelijke grondslag. Ditzelfde geldt voor het door het college genoemde bedrag van € 8.000,-. Hoewel in de offerte van Eurokozijn van 21 mei 2013 aanknopingspunten zijn te vinden dat appellant degene is die bedragen heeft betaald, omdat deze op naam van appellant is opgemaakt, is deze offerte niet ondertekend door appellant. Het handgeschreven briefje bevat verder alleen de notitie dat een bedrag van € 8.000,- op 23 mei 2013 is betaald. Dat dit een contante betaling van appellant zou betreffen en dat appellant daarmee over contante gelden zou hebben beschikt, kan hieruit evenwel niet worden afgeleid.

5.11.

Uit 5.10 volgt dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant in de periode van 26 april 2013 tot en met

23 september 2013 beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over vermogen boven het voor hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen.

Slotoverwegingen

5.12.1.

Gelet op 5.2 tot en met 5.11 heeft het college de bijstand van appellant over de perioden van 26 maart 2009 tot en met 29 april 2009 en van 14 mei 2011 tot en met

25 april 2013 op juiste gronden ingetrokken. De intrekking van de bijstand van appellant over de perioden van 30 april 2009 tot en met 13 mei 2011 en vanaf 26 april 2013 berust echter op een ontoereikende feitelijke grondslag. Dit betekent dat de grondslag aan de terugvordering van de bijstand over de perioden van 30 april 2009 tot en met 13 mei 2011 en van

26 april 2013 tot en met 31 augustus 2013 eveneens is komen te ontvallen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep treft in zoverre doel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Ten behoeve van de duidelijkheid ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht, geheel te vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover het de intrekking van de bijstand van appellant over de perioden van

1 april 1997 tot en met 25 maart 2009, van 30 april 2009 tot en met 13 mei 2011 en vanaf

26 april 2013 betreft. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 30 april 2009 tot en met 13 mei 2011 en van 26 april 2013 tot en met 31 augustus 2013 en dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit tevens worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Tevens bestaat aanleiding het besluit van 23 september 2013 te herroepen voor zover het de intrekking van de bijstand van appellant over de perioden van 1 april 1997 tot en met 25 maart 2009, van 30 april 2009 tot en met 13 mei 2011 en vanaf 26 april 2013 betreft, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. Het beroep tegen het nader besluit slaagt eveneens en het nader besluit dient te worden vernietigd.

5.12.2.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de perioden van 26 maart 2009 tot en met 29 april 2009 en van 14 mei 2011 tot en met 25 april 2013. Nu het hier gaat om een financiële uitwerking, die de Raad zelf niet kan maken, zal het college worden opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 september 2013.

5.13.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze worden begroot op € 1.002,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 3 december 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 3 december 2014 voor zover het betreft de intrekking over de perioden van 1 april 1997 tot en met 26 maart 2009, van 30 april 2009 tot en met

13 mei 2011 en vanaf 26 april 2013 en de terugvordering;

  • -

    herroept het besluit van 23 september 2013 voor zover het de intrekking over deze perioden betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 3 december 2014;

  • -

    draagt het college op met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen dat besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2016 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 3 augustus 2016;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A. Stehouwer en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J. Smolders

sg