Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/5382 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4169, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassen kostendelersnorm. Ter beoordeling van onevenredig zware last als bedoeld in artikel 1 EP heeft appellante geen financiële gegevens overgelegd. Geen aanleiding voor afstemming met artikel 18 lid 1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5382 PW

Datum uitspraak: 1 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 juli 2016, 15/7328 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Dongen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 februari 2018. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellante woonde ten tijde van belang in dezelfde woning als haar ouders en verzorgde hen beiden. Haar vader is nadien overleden.

1.2.

Tot 1 januari 2016 ontving appellante van het college een toeslag van 10% op de bijstand omdat zij de kosten niet of niet volledig met een of meer andere(n) kon delen. Aanvankelijk voorzag de regelgeving van het college daarin. Sinds 31 juli 2013 gebeurde dat met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 41 van de Verzamelverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013 van de gemeente Dongen.

1.3.

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college appellante meegedeeld dat de kostendelersnorm op haar van toepassing is en dat met ingang van 1 juli 2015 de hoogte van haar bijstand per maand wordt vastgesteld op € 565,02, exclusief vakantietoeslag. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante de woning deelt met twee andere meerderjarige personen.

1.4.

Bij besluit van 7 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 juni 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met één of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid:

((40% + A × 30%) / A) × B

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

.2. Niet in geschil is dat de in artikel 22a van de PW opgenomen kostendelersnorm op appellante van toepassing is. In geschil is of een compensatie moet worden geboden voor de financiële gevolgen van de toepassing van de kostendelersnorm.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de verlaging van de bijstand door toepassing van de kostendelersnorm tot schending leidt van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP).

Appellante stelt in dit kader in de eerste plaats dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te oordelen dat zij geen inzage heeft gegeven in de kosten voor ziekenhuisbezoeken en behandelingen voor haarzelf en dat er daarom onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te komen dat appellante door de toepassing van de kostendelersnorm onevenredig zwaar wordt getroffen. Verder was volgens appellante bij het college bekend dat de situatie waarin zij verkeerde precair is te noemen en dat de wijze waarop zij de zorg voor haar ouders op zich nam tot allerhande kosten heeft geleid. Volgens appellante heeft dat er in het verleden juist toe geleid dat de toeslag op de alleenstaandennorm van 10% is opgehoogd tot 20%. Zij stelt dat, omdat een dergelijke compensatie met ingang van 1 juli 2015 achterwege is gebleven en zij wel met dezelfde hogere kosten wordt geconfronteerd, sprake is van een onevenredige zware last.

4.3.1.

Zoals de Raad in de uitspraken van 1 november 2016 (onder andere ECLI:NL:CRVB:2016:3872 en ECLI:NL:CRVB:2016:3873) heeft overwogen, is bij toepassing van de kostendelersnorm weliswaar sprake van inmenging in het eigendomsrecht maar is van betekenis dat deze inmenging bij wet is voorzien en daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt. De vraag of sprake is van een voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht vereist proportioneel middel, dan wel of toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, moet, zoals blijkt uit voormelde uitspraken, individueel worden beoordeeld.

4.3.2.

Anders dan appellante betoogt, is de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden door te oordelen dat appellante geen concrete informatie heeft verstrekt over de kosten van de zorg voor haar ouders en de aanzienlijke kosten die zij maakt voor ziekenhuisbezoeken en behandelingen voor haarzelf. Inzicht in deze kosten is van essentieel belang voor de beantwoording van de vraag of de toepassing van de kostendelersnorm in de situatie van appellante tot een onevenredige zware last leidt en daarom in strijd is met artikel 1 van het EP.

4.3.3.

Appellante heeft de onder 4.3.2 bedoelde informatie niet verstrekt. De verklaring van haar ouders van 25 september 2012 dat appellante maandelijks aan haar ouders € 160,- kostgeld en € 30,- huur voor de garagebox betaalt en ook de gehele telefoonrekening, ziet niet op zodanige kosten en leveren op zichzelf geen onevenredig zware last op. Ook de verwijzingsbrieven van haar behandelend specialist van het ziekenhuis VU medisch centrum naar de KNO-arts en de chirurg zien daar niet op. De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de kostendelersnorm in de situatie van appellante een onevenredige zware last oplevert en daarom in strijd is met artikel 1 van het EP. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.4.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het college heeft verzuimd te beoordelen of artikel 18 van de PW tot afstemming van de bijstand dient te leiden en dat appellante het college hier in bezwaar al op heeft gewezen. Volgens appellante is dit een motiveringsgebrek en had de rechtbank daarom het beroep gegrond moeten verklaren. De rechtbank heeft volgens haar voorts niet onderkend dat het college verplicht is te toetsen aan artikel 18 van de PW en niet eerst nadat appellante de hogere kosten heeft aangetoond.

4.4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding was voor het college om met toepassing van artikel 18 van de PW de bijstand af te stemmen. Voor deze afstemming is slechts plaats in zeer bijzondere omstandigheden. Het is aan degene die zich beroept op deze afstemming om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. Appellante heeft geen inzicht gegeven in de door haar aangevoerde kosten, zodat zij niet aan haar bewijslast heeft voldaan. De opvatting van appellante dat het college ambtshalve dient

te onderzoeken of toepassing moet worden gegeven aan artikel 18 van de PW, zonder dat appellante de extra kosten heeft aangevoerd, is niet juist. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.5.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechtbank heeft geoordeeld dat weliswaar sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, omdat het college daarin ten onrechte niet het juiste normbedrag heeft vermeld, maar ten onrechte heeft overwogen dat dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is hersteld. Volgens appellante had het beroep vanwege het motiveringsgebrek gegrond moeten worden verklaard onder veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten.

4.5.1.

Vaststaat dat bij het besluit van 8 juni 2015 per maand € 565,02 bijstand, exclusief vakantietoeslag, aan appellante is toegekend. Dit bedrag is berekend op basis van de bijstandsnorm voor gehuwden per 1 januari 2005 van € 1.372,62. Vaststaat ook dat het juiste bedrag € 595,87 (43,33% van € 1.375,17), de gehuwdennorm per 1 juli 2015 is, en dat dit bedrag ook daadwerkelijk is uitbetaald.

4.5.2.

Nu appellante door het gebrek in 4.5.1 niet is benadeeld heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gebrek in het bestreden besluit gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank had hierin echter wel aanleiding moeten zien het college te veroordelen in de kosten van appellante en moeten bepalen dat het college het in beroep betaalde griffierecht vergoedt. Dat betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt, zodat de aangevallen uitspraak ook in zoverre moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het college veroordelen in de kosten van beroep en bepalen dat het college aan appellante het door haar in beroep betaalde griffierecht vergoedt.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 501,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken en niet is bepaald dat het college het door appellante in beroep betaalde griffierecht vergoedt;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.503,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Tuit

sg