Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/5086 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf is komen vast te staan op basis van verklaring appellant en waterverbruik appellant. Mede-terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5086 PW, 16/5087 PW

Datum uitspraak: 1 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

28 juni 2016, 15/8762 en 15/8759 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante/A] (appellante) en [appellant/B] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Neermawatie Nandoe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Neermawatie Nandoe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 24 september 2007 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Appellante stond ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans: basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant is eigenaar van een woning aan de [adres 2] te [woonplaats], op welk adres hij ook ten tijde van belang in de BRP stond ingeschreven, en was in september 2013 als bijzonder opsporingsambtenaar (BOA) werkzaam bij de gemeente Den Haag. Appellante wordt [appellante/A] genoemd.

1.3.

Naar aanleiding van een melding in september 2013 dat appellante op het uitkeringsadres samen zou wonen met appellant heeft het college administratief onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Het administratief onderzoek is voor het college aanleiding geweest om een strafrechtelijk onderzoek te laten doen. In het kader van dat onderzoek hebben sociaal rechercheurs observaties uitgevoerd bij de woningen van appellanten, hebben zij appellanten verhoord en hebben zij meerdere personen als getuige gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 1 juni 2015.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

22 mei 2015 de bijstand van appellante vanaf 1 augustus 2010 in te trekken en de over de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 mei 2015 de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 55.678,93 van appellante terug te vorderen. Aan het besluit van 22 mei 2015 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante met appellant vanaf 1 augustus 2010 op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Appellante heeft door daarvan geen melding te maken, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor zij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het college het bedrag van de netto terugvordering gebruteerd en verhoogd tot een bedrag van

€ 69.319,88.

1.5.

Na een nieuwe aanvraag heeft het college aan appellante bijstand verstrekt met ingang van juni 2015.

1.6.

Het college heeft bij besluit van 5 juni 2015 het bedrag van € 69.319,88 mede van appellant teruggevorderd op grond van artikel 59, tweede lid, van de PW.

1.7.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 oktober 2015 heeft het college de tegen de besluiten van 22 mei 2015 en 5 juni 2015 gerichte bezwaren gegrond verklaard en de intrekking van

de bijstand en de terugvordering beperkt tot de periode van 1 augustus 2010 tot en met

24 april 2015, wegens verbreking van de samenleving met ingang van 24 april 2015. Het van appellante terug te vorderen bedrag is door het college vastgesteld op € 54.525,93. Het mede van appellant terug te vorderen bedrag heeft verweerder vastgesteld op € 68.166,88 bruto.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking van de bijstand

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat het college aannemelijk dient te maken dat appellanten ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) en van de PW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB en van de PW doet de belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.4.

Appellanten hebben ter zitting van de Raad erkend dat zij in de periode vanaf

29 april 2012 een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. Appellanten hebben aangevoerd dat in de thans nog in geding zijnde periode van 1 augustus 2010 tot

29 april 2012 geen sprake is geweest van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning.

4.4.1.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten stonden in de betreffende periode op afzonderlijke adressen in de BRP ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556, waaruit is op te maken dat in deze situatie beoordeeld moet worden waar het zwaartepunt van het persoonlijk leven van ieder van de betrokkene zich bevindt.

4.4.2.

De onderzoeksresultaten bieden voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven in de in geding zijnde periode op het uitkeringsadres had en gezamenlijk met appellante aldaar zijn hoofdverblijf heeft gehad. De Raad neemt daarbij het volgende in aanmerking.

4.4.3.

Appellanten zijn op 29 april 2015 ieder tweemaal door de sociale recherche gehoord.

In de verslagen van de verhoren van appellante is onder andere het volgende opgenomen:

"Het enige wat ik kan zeggen is dat [appellant/B] de ene week elke dag bij mij was en de andere week wat minder. [appellant/B] en ik zijn al 10 jaar bevriend met elkaar, hebben een relatie, maar het is niet zo dat wij continu bij elkaar wonen. [appellant/B] is wel vaak bij mij, dat klopt, maar (…) hij heeft ook een eigen huis.

(…)

Van augustus vorig jaar tot februari dit jaar was [appellant/B] ziek en om die reden veel bij mij. [appellant/B] zat tegen een burn-out aan en ik vond het niet verstandig om hem alleen te laten toen

(…)

In maart 2015 was [appellant/B] ook veel bij u.

Ja, ook toen was hij veel bij mij, dat klopt.

(…)

Ik ben op 2 juni vorig jaar geopereerd en daarna is [appellant/B] vaker bij mij gekomen, dat had ik misschien toen moeten doorgeven aan de sociale dienst. Ik zie samenwoning als een situatie dat je alles samen deelt, maar dat is niet zo.

(…)

Op 28 mei 2010 heb ik (…) mijn eerste herniaoperatie ondergaan, ik heb toen in totaal zo’n twee maanden in het ziekenhuis gelegen, ik denk dat ik eind juni, begin juli toen uit het ziekenhuis ben gekomen.

(…)

U confronteert mij met de verklaring van [appellant/B], dat hij na de herniaoperatie bij mij is gaan wonen.

Dat klopt wel wat [appellant/B] zegt, maar hij is niet gebleven. Ik denk dat hij toen, in 2010, maximaal twee maanden bij mij is gebleven. Nu achteraf zeg ik dat ik dat bij jullie had moeten melden, maar ik heb er niet bij stil gestaan. Ik had hulp nodig toen en die kreeg ik van [appellant/B].”

en

“ Van welk adres vertrekt [appellant/B] iedere ochtend naar z’n werk?

Over het algemeen van mijn adres.

(…)

Welke spullen van [appellant/B] staan in uw woning?

Een Acer-computer en kleding van hem (…) ook scheergerei, tandenborstel dat soort dingen. En veel bierblikken. [appellant/B] drinkt bijna elke dag. Vroeger deed [appellant/B] ook wel klusjes in de woning, onder andere het behangen van de muren en het plaatsen van de kachel. Maar dat was vroeger meer dan nu.

Heeft u vroeger bij [appellant/B] op de Jaarsveldstraat gewoond?

(…)

We zijn pas bij elkaar gaan wonen vanaf de zomer van 2010, na mijn hernia-operatie. Ik heb het u al verteld, dat was op mijn adres."

In de processen-verbaal van de verhoren van appellant is onder andere het volgende opgenomen: "Wanneer hebben jullie besloten samen te gaan wonen?

Ik moet goed nadenken. Ik meen sinds een jaar of drie. Zij heeft zware operaties ondergaan. Daarbij is iets misgegaan. Zij had verzorging nodig. Dat ben ik gaan doen.

(…)

De hernia heeft alles veranderd. Toen dat eenmaal was gebeurt toen ben ik bij [appellante/A] gaan wonen omdat zij hulp nodig had. Zij kon echt niet alleen zijn omdat ze niets kon."

(…)

Het is begonnen met een paar dagen in de week. Dat is later gegroeid naar het volledig verblijf.

(…)

Vóór die tijd woonde zij bij mij, maar niet constant. Ik zie het als logeren.

(…)

U verklaart dat u het merendeel van de tijd bij [appellante/A] verblijft. Waarom heeft u zich niet laten inschrijven op haar adres?

Ik wilde mijn eigen huis behouden als een soort veilige haven.”

en

" Eerder spraken wij met u over uw lage waterverbruik op het adres [adres 2]. Wat is uw verklaring daarover?

Meer dan doortrekken doe ik niet in die woning. Ik drink geen leidingwater. Daar komt het door, denk ik. Het klopt wel dat ik heel weinig in die woning verblijf. Dat is al het geval sinds [appellante/A] hulp nodig had. Dat moet dan zijn geweest vanaf 2010, de eerste operatie.

(…)

Welke persoonlijke zaken staan er op de Jaarsveldstraat?

Er staat een pc, een tv, kleding en verder heb ik niet zoveel.

Welke persoonlijke zaken liggen er in de Van der Berghstraat?

Mijn werkkleding voor een deel, verzekeringspapieren, hypotheekpapieren ook voor een deel. [appellante/A] doet mijn boekhouding dus daarom liggen er wel papieren van mij bij haar.

(..)

[appellante/A] verklaarde dat zij op 28 mei 2010 voor het eerst geopereerd werd. Zegt die datum u iets?

Niet echt, het zou zomaar 2008 of 2012 kunnen zijn. Maar als zij dat zegt dan zal het wel kloppen.

(…)

Sinds bovengenoemde datum ben ik overwegend bij [appellante/A]. Ik heb wel mijn eigen huis, maar daar kom ik niet zoveel. Wij zorgen voor elkaar qua huishouden maar ook qua gezondheid. Na de volgende operaties was de zorg zelfs intensiever. Als u zegt dat ik het merendeel van de week bij [appellante/A] woon dan klopt dat wel.”

4.4.4.

Uit de door appellanten afgelegde verklaringen komt naar voren dat zij vanaf de zomer in 2010, twee maanden na de eerste hernia-operatie van appellante, gezamenlijk hun hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad. Dat was in juli 2010. Appellante heeft dat verklaard bij het eerste verhoor en appellant heeft dat bevestigd. Uitdrukkelijk heeft hij verklaard dat dit bij de eerste operatie in 2010 was. Aan deze conclusie doet niet af dat appellanten bij het verhoor aanvankelijk wisselend hebben verklaard over de duur en intensiteit van het verblijf van appellant in de woning van appellante. Het gaat erom wat er uiteindelijk is verklaard. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mag volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.4.5.

De verklaringen van appellanten worden ondersteund door het waterverbruik in de woning van appellant op het adres [adres 2], dat in de periode van 17 februari 2010 tot 7 maart 2014 omgerekend naar een heel jaar 19 m³ bedroeg, terwijl een gemiddeld gebruik voor een eenpersoonshuishouden 48 m³ per jaar is. Dat strookt ook met de verklaring die appellant daarover heeft afgelegd. Volgens appellant gebruikte hij in zijn woning het water alleen voor het doortrekken van de wc.

4.4.6.

Uit het voorgaande volgt dat aan het eerste criterium voor een gezamenlijke huishouding in de in geding zijnde periode is voldaan.

4.5.

Appellanten hebben niet betwist dat aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat appellanten in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres.

4.7.

Appellante heeft het college niet over de gezamenlijke huishouding geïnformeerd. Zij heeft dus de op haar rustende inlichtingenverplichting van artikel 17 van de WWB en van de PW geschonden, als gevolg waarvan ten onrechte bijstand aan haar is verleend.

4.8.

Tegen de terugvordering hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

De medeterugvordering

4.9.

Artikel 59, tweede lid, van de PW bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de PW niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode met appellante een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de PW op het uitkeringsadres heeft gevoerd.

4.10.

Uit 4.6 volgt dat aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de PW is voldaan, zodat het college bevoegd was de over de in geding zijnde periode ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand mede terug te vorderen van appellant. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om appellant niet te vervolgen voor opzetheling, zoals door appellanten aangevoerd, kan er niet toe leiden dat het college van medeterugvordering had moeten afzien. Deze omstandigheid is voor de vraag of aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de PW is voldaan niet relevant.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

sg