Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
16/2601 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning pensioen op grond van de AOW, met een korting van 12% wegens (afgerond) zes niet verzekerde jaren. Appellante voldeed niet aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, van de AOW, en was dus niet verplicht verzekerd voor de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2018/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2601 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 maart 2016, 15/8334 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 3 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellante is, bij besluit van 26 mei 2015, met ingang van 9 april 2014 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, met een korting van 12% wegens (afgerond) zes niet verzekerde jaren. Deze periode betreft de tijd van 19 juli 1964 tot en met

14 oktober 1970 toen appellante met haar ouders in Venezuela woonachtig was. Haar vader werkte destijds aldaar voor de KLM. Het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2015 is door de Svb bij beslissing op bezwaar van 12 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar ouders een vrijwillige verzekering hebben afgesloten voor de AOW en dat, nu zij zelf ten tijde van het afsluiten van deze verzekering minderjarig was, het er voor gehouden moet worden dat deze verzekering ook voor haar is afgesloten. Ook hebben haar ouders gebruik gemaakt van een generaal pardonregeling om voor nog niet verzekerde periodes alsnog een vrijwillige verzekering voor de AOW af te sluiten. Ook ten tijde van dit generaal pardon was zij minderjarig, zodat dit afsluiten ook voor haar heeft te gelden.

3.2.

De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante in de periode in geding niet in Nederland woonde of werkzaam was. Nu zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 6, eerste lid, van de AOW, was zij dus niet verplicht verzekerd voor de AOW. Uit de gedingstukken blijkt niet dat voor appellante door haar ouders een vrijwillige verzekering is afgesloten voor deze periode, dan wel dat zij zelf, na terugkeer in Nederland, zich heeft gericht tot de Svb om een vrijwillige verzekering af te sluiten. Uit de stukken over de vrijwillige verzekering van haar ouders blijkt dat dit alleen betrekking had op de ouders en niet op hun kinderen. Niet blijkt van stukken waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen had mogen ontlenen dat deze vrijwillige verzekering ook op haar betrekking had.

4.2.

De stelling van appellante dat de vrijwillige verzekering van haar ouders ook voor haar, als minderjarig kind, heeft te gelden wordt niet onderschreven, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1112. Hetzelfde geldt voor het beroep op de aanmelding van haar ouders voor een vrijwillige verzekering in het kader van een generaal pardon. Hierbij wordt nog opgemerkt dat in de jaren voor 1976 tweemaal een generaal pardon van kracht is geweest, waarbij personen zich alsnog konden melden voor een vrijwillige verzekering voor de AOW voor niet verzekerde jaren, hoewel de aanmeldtermijn verstreken was. Appellante was toen meerderjarig en woonachtig in Nederland, zodat zij zich had kunnen aanmelden hiervoor. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

GdJ