Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
16/1227 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WIA-uitkering. Geen recht (meer) op een WIA-uitkering. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken, waaronder de informatie van psycholoog Pijnappels, geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1227 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 januari 2016, 15/2831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.F. Noot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Noot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 9 september 2010 uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster voor 14,75 uur per week wegens psychische klachten. Bij besluit van

5 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 27 december 2012 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

1.2.

In november 2014 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Appellante is op 6 november 2014 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 november 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend. Bij besluit van 13 januari 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 14 maart 2015 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten.

1.3.

Bij besluit van 19 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2014, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 augustus 2015 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 augustus 2015, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen aanleiding is om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, naar het oordeel van de rechtbank, zijn standpunt ten aanzien van de FML afdoende toegelicht en afdoende uiteengezet waarom geen sprake meer is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en een urenbeperking niet aangewezen is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundigen voldoende inzichtelijk hebben gemaakt dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat een verzekeringsarts van het Uwv in oktober 2012 terecht heeft vastgesteld dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft. De thans uit de in beroep ingebrachte informatie van GZ-psycholoog B.E.M. Pijnappels van

26 oktober 2015 gebleken diagnose van PTSS sluit daarbij aan en geeft daarvoor een medische onderbouwing. De diagnose verklaart ook waarom appellante nooit meer dan 15 uur per week gewerkt heeft. Het verschil tussen het oordeel van de verzekeringsarts in 2012 en het huidige oordeel van het Uwv is daarom niet te verklaren. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd dat een beperking ten aanzien van het doelmatig handelen niet meer aan de orde zou zijn. Appellante heeft daarom verzocht om een deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 mei 2016 op wat in hoger beroep is aangevoerd, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. Hetgeen over de medische beoordeling door het Uwv door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Het onderzoek naar de beperkingen van appellante is zorgvuldig geweest. De verzekeringsartsen beschikten over voldoende gegevens en er was geen noodzaak om nadere informatie op te vragen. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken, waaronder de informatie van psycholoog Pijnappels, geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 november 2015 inzichtelijk gemotiveerd waarom de diagnose PTSS op zich geen reden geeft aan te nemen dat appellante in het geheel geen benutbare mogelijkheden heeft. Appellante voldoet niet aan de in de standaard “Geen benutbare mogelijkheden” genoemde criteria van adl-afhankelijkheid, bedlegerigheid, ziekenhuisopname of persoonlijk en/of sociaal disfunctioneren ten gevolge van een ernstige psychiatrische stoornis. De FML van 6 november 2014 kent reeds forse beperkingen. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. In het rapport van 11 mei 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd waarom appellante niet beperkt wordt geacht in het doelmatig handelen. Een beperking in het doelmatig handelen komt alleen voor als sprake is van een ernstige stoornis zoals een psychose, een vorm van dementie, een ernstige verstandelijke beperking of autisme, wat betekent dat er alleen beperkingen gelden in het doelmatig handelen als er een stoornis is in het functioneren in de adl. Dit doet zich bij appellante niet voor. Aanvullend wordt opgemerkt dat appellante geen informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat in verband met vermoeidheidsklachten of op preventieve gronden een urenbeperking gerechtvaardigd zou zijn. Nu er geen nadere medische gegevens zijn ingebracht die aanleiding geven voor een afwijkend oordeel ziet ook de Raad op grond van alle gegevens geen aanleiding een deskundige in te schakelen.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 6 november 2014 wordt met de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Wat betreft de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat deze afdoende is gemotiveerd.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

KS