Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
13/2365 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college geen overwegend aandeel heeft gehad in het voortduren van het conflict na het intrekken van de onvoldoende beoordeling, nu betrokkene stelselmatig volhardde in het niet mee willen werken aan het herstel van vertrouwen en daarmee een oplossing van het conflict. Onder deze omstandigheden volstaat de getroffen regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 2365 AW

Datum uitspraak: 3 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2013, 11/8447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden (erven) van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

[betrokkene] (betrokkene) is overleden op 25 maart 2016. Appellanten hebben het geding voortgezet.

Namens betrokkene heeft mr. F. van der Kant-Dessens hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. M. Taheri, opvolgend gemachtigde van betrokkene, heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2014. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Taheri. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Baladien en mr. O.M. Langemeijer. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Op verzoek van betrokkene en vervolgens van appellanten is de behandeling meerdere keren uitgesteld.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 7 december 2017. Namens appellanten is verschenen

[X.] bijgestaan door mr. Taheri. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Langemeijer. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 22 maart 2018. Namens appellanten is verschenen

[X.] bijgestaan door mr. Taheri. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Langemeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar overwegingen 1.3 tot en met 1.18 van de aangevallen uitspraak. De Raad voegt hieraan het volgende toe.

1.2.

Betrokkene was sinds 1 juli 2007 werkzaam bij de gemeente Den Haag, laatstelijk als senior medewerker bij de [dienst], [afdeling 1] ([afdeling 1]) onder direct leidinggevende B.

1.3.

In februari 2010 is er een impasse ontstaan tussen betrokkene en zijn leidinggevende B, met name als gevolg van een onvoldoende beoordeling, vastgesteld op 7 januari 2010, over de periode 1 juni 2008 tot 1 juni 2009. Op 25 februari 2010 heeft betrokkene zich ziek gemeld. Om uit genoemde impasse te kunnen komen is mediation voorgesteld en het besluit van

7 januari 2010 ingetrokken.

1.4.

Op 29 april 2010 heeft een gesprek plaatsgehad tussen betrokkene enerzijds en B en K, financieel directeur van [dienst] ([dienst]), anderzijds. K heeft daarin geconstateerd dat de arbeidsrelatie tussen betrokkene en B is verstoord en meegedeeld dat de mediation gericht moet zijn op een herplaatsing van betrokkene buiten de afdeling [afdeling 1].

1.5.

Op 26 juli 2010 is betrokkene gaan re-integreren op de afdeling [afdeling 2] onder direct leidinggevende D.

1.6.

Begin september 2010 heeft D betrokkene aangesproken op onbetrouwbaarheid ten aanzien van zijn aan- en afwezigheid op de afdeling. Betrokkene is boos weggelopen bij dit gesprek.

1.7.

Bij deskundigenoordeel van 22 september 2010 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) geoordeeld dat betrokkene vanaf 21 juli 2010 geschikt is voor zijn eigen arbeid. In een gesprek van 18 oktober 2010 met onder meer B is met betrokkene afgesproken dat hij weer gaat werken op zijn eigen afdeling, maar onder een andere leidinggevende, R. Van dit gesprek is op 22 oktober 2010 een verslag opgemaakt. Betrokkene heeft zonder toestemming van dit gesprek geluidsopnamen gemaakt.

1.8.

In een gesprek op 25 oktober 2010 met onder meer B is van de zijde van het college een toelichting gegeven op de werkzaamheden die betrokkene zou moeten gaan verrichten op zijn eigen afdeling. Betrokkene heeft daarop geantwoord dat hij geen beslissing kon nemen over de aan hem gegeven opdracht en dat hij de precieze opdracht op papier te wilde hebben, zodat hij dit kon bespreken met zijn juridisch adviseur. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft K betrokkene de dienstopdracht gegeven om op 1 november 2010 een begin te maken met de uitvoering van de opdracht als vastgelegd in het gespreksverslag van 22 oktober 2010. Verder is betrokkene erop gewezen dat disciplinaire maatregelen, waaronder strafontslag, worden overwogen als hij geen gehoor geeft aan deze opdracht.

1.9.

Na een voornemen daartoe, is bij besluit van het college van 22 november 2010 aan betrokkene de straf van schriftelijke berisping opgelegd vanwege zijn houding en gedrag op 18 en 19 oktober 2010, bestaande uit het zich structureel onttrekken aan afspraken en opgedragen taken en zich niet gedragen zoals van een ambtenaar mag worden verwacht.

1.10.

Op 1 februari 2011 is de mediation voortijdig beëindigd doordat de mediator de opdracht heeft teruggegeven.

1.11.

Bij besluit van 15 maart 2011 is aan betrokkene onder meer een schorsing opgelegd vanwege schending van de geheimhoudingsplicht.

1.12.

Na een voornemen daartoe, waartegen betrokkene geen zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college bij besluit van 3 mei 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 september 2011 (bestreden besluit), betrokkene eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van het Arbeidsvoorwaardenreglement gemeente Den Haag (ARG) vanwege een dusdanig verstoorde arbeidsrelatie dat ontslag gerechtvaardigd is. Daarbij is een regeling getroffen waarbij betrokkene aanspraak heeft op een aanvullende en na-wettelijke uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie en dat ten tijde van de ontslagdatum sprake was van een impasse. Gedurende een langere periode heeft het college serieuze pogingen ondernomen om te komen tot een vruchtbare samenwerking met betrokkene. Alle pogingen zijn mislukt, waarbij de onbuigzame en niet-coöperatieve houding van betrokkene een belangrijke rol heeft gespeeld, als gevolg waarvan uiteindelijk bij beide partijen het vertrouwen is verdwenen dat de vertrouwensbreuk nog geheeld zou kunnen worden.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep tegen het schorsingsbesluit dat is genoemd in 1.11 is ingetrokken, zodat enkel het ontslag nog aan de orde is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 8:8, eerste lid, van het ARG bepaalt dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van het ARG worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Dit impliceert dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is.

4.3.

Met de rechtbank en anders dan appellanten is de Raad van oordeel dat ten tijde van de ontslagdatum sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding en dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid van het college niet kon worden verlangd. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Raad naar rechtsoverweging 3.3.2 van de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan het volgende toe. Juist waar na de mislukte re-integratie op de afdeling [afdeling 2] onder leidinggevende D betrokkene zelf had verzocht om te mogen terugkeren naar zijn eigen afdeling en het college daarmee had ingestemd door plaatsing van betrokkene onder een nieuwe leidinggevende, lag het op de weg van betrokkene om zich coöperatief op te stellen teneinde deze tweede poging te laten slagen. Uit de gedingstukken blijkt veeleer het tegendeel. De voorwaarde van betrokkene om de hem opgedragen werkzaamheden op schrift te stellen was in dit licht bezien niet redelijk en dreef het langdurige bestaande conflict nodeloos op de spits. De Raad kent in dit verband betekenis toe aan de brief van K van

28 oktober 2010 en wat ten grondslag is gelegd aan de opgelegde straf van schriftelijke berisping. Verder kent de Raad gewicht toe aan de mislukte mediation. Hoewel niet duidelijk is wat precies heeft geleid tot de voortijdige beëindiging van de mediation door de mediator zelf, is van de kant van het college aannemelijk gemaakt dat betrokkene in dezelfde periode zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden, zodat enig verband met de mediation op dit punt aannemelijk is. Verder is van belang dat de schending van de geheimhoudingsplicht niet alleen plaatshad ten aanzien van de mediation, maar ook ten aanzien van het verspreiden van een advocatendeclaratie door betrokkene, waarover hij gezien zijn functie geen beschikking zou kunnen en mogen hebben, en dat betrokkene daarmee het laatste beetje vertrouwen van het college heeft verspeeld. Onder deze omstandigheden was ten tijde van het ontslag sprake van een zodanige vertrouwensbreuk dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet meer van het college kon worden gevergd. Gezien het verloop sinds februari 2010, de conflicten met drie leidinggevenden, de mislukte plaatsingen op de afdeling [afdeling 2] en - eigen - afdeling [afdeling 1] en tot slot de mislukte mediation mocht het college menen dat van verdere herplaatsingsinspanningen geen resultaat te verwachten was. De conclusie is dan ook dat het college bevoegd was aan betrokkene ontslag te verlenen.

4.4.

Uit de in 4.3 genoemde omstandigheden volgt dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college geen overwegend aandeel heeft gehad in het voortduren van het conflict na het intrekken van de onvoldoende beoordeling, nu betrokkene stelselmatig volhardde in het niet mee willen werken aan het herstel van vertrouwen en daarmee een oplossing van het conflict. Onder deze omstandigheden volstaat de getroffen regeling.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) A.M. Pasmans

IJ