Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
17/6740 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim. Ontslag. Tijdsfraude. Twijfels over de juistheid van het aantal door haar gedeclareerde uren en haar verlofadministratie. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze gedragingen, gelet op de aard en ernst van elk ervan, zowel afzonderlijk als tezamen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6740 AW

Datum uitspraak: 3 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
30 augustus 2017, 16/5868 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. den Besten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Den Besten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.A. Schneider, mr. D.R. Stolwijk, M. Dijkman en drs. R. van Reijswoud.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 juni 1995 werkzaam bij de gemeente Lelystad (gemeente), laatstelijk in de functie van medewerker handhaving van het team [naam team] op basis van een aanstelling van 36 uur per week.

1.2.

In juli 2015 is appellante met de gemeente overeengekomen dat zij in de hoedanigheid van zzp’er van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016 voor acht tot tien uur per week werkzaamheden zal verrichten ten behoeve van het [project] (project). Het project vindt plaats onder supervisie van het gemeentelijk re-integratiebedrijf Werkbedrijf Lelystad B.V. (Werkbedrijf). Appellante en haar teamleider van team [naam team], [A], hebben afspraken gemaakt over de omvang van haar werkzaamheden als medewerker handhaving en het opnemen van verlof in de periode waarin zij voor het project werkzaamheden verricht.

1.3.

Naar aanleiding van door appellante ingediende facturen voor haar werkzaamheden voor het project zijn bij het college twijfels gerezen over de integriteit van haar handelen. Het college heeft vervolgens een intern onderzoek gestart. Op 31 maart 2016 is appellante tijdens een gesprek met [A] geïnformeerd over het vermoeden van het college dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, te weten tijdsfraude. Daarbij is appellante op de hoogte gebracht van de twijfels over de juistheid van het aantal door haar gedeclareerde uren en haar verlofadministratie. Omdat appellante tijdens dit gesprek geen afdoende verklaring kon geven voor haar handelen heeft het college besloten een extern onderzoek in te stellen. VDBS Consultancy (VDBS) heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de door appellante gewerkte en gefactureerde uren bij het Werkbedrijf, haar geregistreerde verlofuren over de periode dat zij werkzaam was voor het Werkbedrijf en haar ziekmelding bij het college in september 2015. In dat kader heeft VDBS onder andere het door appellante geregistreerde verlof, haar werkagenda en de door haar aan het Werkbedrijf verstuurde facturen en urenspecificaties met elkaar vergeleken. Verder beschikte VDBS over WhatsApp-berichten en sms-berichten van appellante met [A] en met coördinator handhaving, [B], rondom haar ziekmelding in september 2015. Daarnaast hebben [A], [B] en meerdere collega’s van appellante verklaringen afgelegd, evenals betrokkenen bij het Werkbedrijf. Ook appellante en haar dochter hebben verklaringen afgelegd. VDBS Consultancy heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapport van 25 mei 2016.

1.4.

Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft het college bij besluit van 22 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november 2016 (bestreden besluit), appellante wegens plichtsverzuim met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het college heeft de volgende gedragingen, zowel afzonderlijk als tezamen aangemerkt als ernstig plichtsverzuim en aan de disciplinaire straf ten grondslag gelegd:
a) Appellante heeft (zonder toestemming van haar leidinggevende) meer uren besteed en gefactureerd voor haar werkzaamheden bij het Werkbedrijf dan zij en de gemeente (in eerste instantie) zijn overeengekomen. Hierdoor was het tevens onmogelijk dat zij 32 uur per week werkzaamheden heeft verricht voor de gemeente. Hiermee heeft zij de gemeente (financieel) benadeeld en zichzelf bevoordeeld.
b) Appellante heeft bij de gemeente geen verlof opgenomen op de momenten dat zij afwezig was in verband met haar werkzaamheden bij het Werkbedrijf. Hiermee heeft appellante de gemeente (financieel) benadeeld en zichzelf bevoordeeld.
c) Appellante heeft tegen de afspraak in werkzaamheden laten verrichten door haar dochter. Hiermee heeft appellante de gemeente financieel benadeeld en zichzelf bevoordeeld.
d) Appellante heeft zich ziekgemeld voor haar werk bij de gemeente terwijl zij wel werkzaamheden verrichtte bij het Werkbedrijf. Hiermee heeft zij de gemeente (financieel) benadeeld en zichzelf bevoordeeld.
e) Appellante heeft meer uren gefactureerd dan zij daadwerkelijk aan het project besteedde. Appellante heeft hiermee in de eerste plaats blijk gegeven van niet integer handelen en daarmee in strijd gehandeld met de modelgedragscode voor ambtenaren van de gemeente Lelystad. Daarnaast heeft appellante met haar gedraging (ook) de gemeente financieel benadeeld.
f) Appellante heeft over bovengenoemde gedragingen valse en tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het plichtsverzuim appellante is toe te rekenen en dat de straf van ontslag niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe - kort samengevat - overwogen dat appellante in ieder geval de vermelde gedragingen in rechtsoverweging 1.4, onder b en d, heeft begaan en dat deze gedragingen afzonderlijk en tezamen als plichtsverzuim zijn aan te merken. Appellante heeft niet bestreden dat het plichtsverzuim haar kan worden toegerekend. Het college was aldus bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. Niet is gesteld noch is gebleken dat het ontslag onevenredig is aan het hier geconstateerde plichtsverzuim. Nu deze gedragingen, die tezamen als ernstig plichtsverzuim dienen te worden aangemerkt, reeds de opgelegde disciplinaire straf van ontslag kunnen dragen laat de rechtbank de overige aan appellante verweten gedragingen en wat appellante daartegen heeft aangevoerd onbesproken.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellante heeft betoogd dat, nu de rechtbank zich heeft beperkt tot de beoordeling van twee gedragingen de overige gedragingen in hoger beroep niet meer aan de orde kunnen komen. Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1853) mocht de rechtbank zich beperken tot de beoordeling van de twee gedragingen zoals weergegeven onder 1.4, onder b en d, indien deze voldoende waren voor het oordeel dat het bestreden besluit stand kon houden. Het college heeft de overige gedragingen ongewijzigd aangemerkt als ernstig plichtsverzuim en gesteld dat alleen al de twee door de rechtbank besproken gedragingen de opgelegde disciplinaire straf van ontslag rechtvaardigen. De Raad zal verder volstaan met de beantwoording van de vraag of dit standpunt, dat ook het oordeel van de rechtbank is, stand kan houden.

3.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

De gedraging genoemd in 1.4 onder b.

3.3.1.

Appellante heeft betoogd dat zij haar verlofuren altijd correct heeft afgeboekt en dat zij het college niet - financieel - heeft benadeeld. Dit betoog slaagt niet. Uit het overzicht dat is opgesteld door VDBS en door de rechtbank is weergegeven in de aangevallen uitspraak, blijkt het volgende. Over de periode van augustus 2015 tot en met november 2015 heeft appellante volgens haar agenda op meerdere dagen verlof opgenomen terwijl zij hiervoor geen, of slechts een paar uur verlof registreerde. Ook heeft zij in deze periode gewerkte uren gedeclareerd bij het Werkbedrijf op dagen dat zij moest werken voor de gemeente terwijl zij geen of slechts beperkt verlof heeft geregistreerd. Appellante heeft het overzicht op zichzelf beschouwd niet betwist, maar aangevoerd dat de registratie van het aantal verlofuren niet volledig overeenkomt met de gewerkte uren omdat zij vaak compensatie uren opnam. Deze compensatie uren bouwde zij op door buiten haar reguliere werktijden werkzaamheden voor de gemeente te verrichten. Vervolgens corrigeerde zij deze opgebouwde uren met haar reguliere werktijd, zodat zij geen of minder verlof hoefde op te nemen tijdens haar reguliere werktijd. Daarnaast werkte appellante op onregelmatige tijden als gevolg waarvan zij soms lange werkdagen maakte. Dit bood haar de mogelijkheid haar werkzaamheden voor de gemeente en voor het Werkbedrijf op één dag te combineren.

3.3.2.

Deze verklaring is niet afdoende voor de discrepantie tussen het opgenomen verlof volgens de agenda van appellante en het door haar geregistreerde verlof, mede bezien in het licht van de omvang van de door appellante gedeclareerde uren bij het Werkbedrijf. Met deze verklaring heeft appellante immers niet aannemelijk gemaakt dat zij de door haar geclaimde (over)uren daadwerkelijk voor de gemeente heeft gewerkt. Zij heeft geen concrete, verifieerbare gegevens ingebracht waaruit blijkt dat en wanneer zij deze (over)uren daadwerkelijk heeft gemaakt. Haar stelling dat registratie van de (over)uren niet nodig was omdat sprake was van een gebruikelijke gang van zaken, is uitdrukkelijk weersproken door het college en heeft appellante evenmin aannemelijk gemaakt.

3.3.3.

De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellante dat zij door het college is tegengewerkt in het leveren van bewijs door haar geen toegang te geven tot de inloggegevens van de computer. Wat daar verder ook van zij, appellante heeft zelf gesteld dat zij haar gewerkte (over)uren niet heeft geregistreerd. Dat zij deze uren niet heeft vastgelegd blijkt ook uit de overzichten van haar werkagenda over de periode van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016 die zich in het procesdossier bevinden. Daarenboven heeft appellante voor wat betreft haar (over)uren gewezen op het, ook buiten reguliere werktijden, verrichten van observaties en het afleggen van huisbezoeken, terwijl de hierop betrekking hebbende uren niet uit inloggegevens afgeleid kunnen worden.

3.3.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, ongeacht de gemaakte afspraken over het aantal dagen en aantal uren waarop zij voor de gemeente werkzaam zou zijn naast haar uren voor het Werkbedrijf, appellante haar verlof niet correct heeft geregistreerd. Zij had bij het verrichten van haar werkzaamheden een grote mate van zelfstandigheid en vrijheid. Juist dit maakte dat het college erop moest kunnen vertrouwen dat appellante van deze vrijheid geen misbruik zou maken. Dit geldt temeer nu appellante haar werkzaamheden ten behoeve van de gemeente combineerde met haar werkzaamheden als zzp’er voor het Werkbedrijf.

De gedraging genoemd 1.4 onder d.

3.4.1.

Ook in hoger beroep heeft appellante betoogd dat zij geen werkzaamheden voor het Werkbedrijf heeft verricht in de periode dat zij zich had ziekgemeld bij het college. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij alleen op 3 september 2015 ziek is geweest en de overige dagen gewoon heeft gewerkt voor het college en voor het Werkbedrijf. Hierbij heeft zij erop gewezen dat zij aanwezig was bij een gesprek op 4 september 2015 en bij het werkoverleg op 8 september 2015. Dit betoog slaagt niet. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat in hoger beroep is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen. Hij voegt hieraan het volgende toe.

3.4.2.

Uit het registratiesysteem van de gemeente blijkt dat appellante over de periode van

3 september 2015 tot en met 15 september 2015 volledig ziekgemeld is geweest. De ziekmelding op 3 september 2015 en de betermelding op 16 september 2015 sluiten aan bij de inhoud van de in die periode via WhatsApp verstuurde berichten van appellante en [A] en op de inhoud van sms-berichten van appellante en [B]. Dat appellante wel aanwezig is geweest bij een gesprek op 4 september 2015 en mogelijk - hierover verschillen partijen van mening - ook bij een werkoverleg op 8 september 2015, leidt niet zondermeer tot de conclusie dat appellante haar werkzaamheden voor de gemeente weer - volledig - had hervat in voornoemde periode. In dit kader wijst de Raad erop dat de door appellante afgelegde verklaringen tegenstrijdig zijn en evenmin aansluiten op de hiervoor bedoelde WhatsApp- en sms-berichten. Op 31 maart 2016 heeft appellante namelijk tegen [A] verklaard dat zij zich op

3 september 2015 heeft ziekgemeld en maandag en dinsdag ziek op bed heeft gelegen en de overige tijd verlof heeft opgenomen. Op 29 april 2016 heeft zij in het kader van het door VDBS uitgevoerde onderzoek verklaard dat zij zich alleen op 3 september 2015 heeft ziekgemeld bij de gemeente en daarna weer aan het werk is gegaan, waarbij zij vanaf

7 september 2015 vijf tot zes uur per dag werkte in verband met haar medicatie. Appellante heeft op 4 september 2015 vijf uur en op 9 september 2015 zeven en half uur gedeclareerd bij het Werkbedrijf, zodat zij werkzaamheden heeft verricht voor het Werkbedrijf terwijl zij zich had ziekgemeld bij de gemeente.

3.5.

Uit 3.3.1 tot en met 3.4.2 volgt dat appellante de in 1.4, onder b en d, genoemde gedragingen heeft begaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze gedragingen, gelet op de aard en ernst van elk ervan, zowel afzonderlijk als tezamen kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag rechtvaardigt.

3.6.

Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.M.M. van Dalen

IJ