Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
15/5882 AKW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:5133, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2013. Aannemelijk is dat appellant niet langer een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Afwijzing van kinderbijslag (voor zeven kinderen) over het tweede en derde kwartaal van 2014. Appellant heeft geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan op de peildata van het tweede en derde kwartaal van 2014 alsnog ingezetenschap zou moeten worden aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5882 AKW, 16/6963 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

17 juli 2015, 14/5314 (aangevallen uitspraak 1) en 30 september 2016, 15/6390 (aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] [woonplaats] te Rotterdam (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 26 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ben Ahmed hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit en heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor meerdere uitwonende kinderen. Naar aanleiding van een huisbezoek van medewerkers van de deelgemeente Delfshaven (Rotterdam) aan het gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA)-adres van appellant heeft de Svb in augustus 2013 onderzoek verricht naar het recht op kinderbijslag van appellant. In de schriftelijke verklaringen van 27 september 2013 en 21 november 2013 heeft appellant inlichtingen verstrekt over zijn verblijf in Nederland en zijn banden met Marokko.

1.2.

Bij besluit van 11 december 2013 heeft de Svb vastgesteld dat appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2013 geen recht heeft op kinderbijslag. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 18 februari 2014 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.3.

In het najaar van 2014 zijn vijf van de kinderen van appellant in Nederland aangekomen. Bij besluit van 31 maart 2015 heeft de Svb vastgesteld dat appellant met ingang van het vierde kwartaal van 2014 voor deze vijf kinderen recht heeft op kinderbijslag. Bij besluit van 7 mei 2015 is vervolgens vastgesteld dat appellant tevens recht heeft op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2014 voor twee andere kinderen ( [naam kind 1] en [naam kind 2] ). Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 maart 2015.

1.4.

Bij besluit van 21 september 2015 (bestreden besluit 2) is het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het betreft de impliciete afwijzing van kinderbijslag (voor zeven kinderen) over het tweede en derde kwartaal van 2014.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 is het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de Svb zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant met ingang van 1 april 2013 niet verzekerd is voor de AKW omdat hij per die datum niet langer zijn woonplaats in Nederland heeft.

2.2.

Het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard bij aangevallen uitspraak 2. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan op de peildata van het tweede en derde kwartaal van 2014 alsnog ingezetenschap zou moeten worden aangenomen.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat het ingezetenschap is geëindigd. Het is aan de Svb om bewijs te leveren, gelet op het belastende karakter van het besluit. Appellant stelt dat hij al jaren een zelfstandige huurwoning heeft in Nederland en het grootste deel van de tijd in Nederland heeft verbleven. Uit de data in het paspoort kan volgens appellant niet worden afgeleid dat hij meer in Marokko heeft verbleven dan in Nederland. De paspoortgegevens zijn niet doorslaggevend, omdat appellant tussentijds in Nederland kan zijn geweest, zoals het geval was op

21 november 2012, toen hij aan de balie van de Svb is geweest. De periodes die de Svb uit het paspoort heeft afgeleid beslaan over 2013 124 dagen zodat appellant in dat jaar 241 dagen in Nederland kan hebben verbleven. Appellant heeft gewezen op de geldstortingen en -opnames die hij in persoon heeft gedaan en op afspraken met de verhuurder, de Svb, het Juridisch Loket en zijn advocaat, waarbij hij zich niet door iemand anders kon laten vertegenwoordigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2013 verzekerd is voor de AKW op grond van ingezetenschap.

4.2.

Verzekerd op grond van de AKW is degene die ingezetene is. Ingezetene in de zin van de AKW is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en

4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.

4.3.

Evenals in de aangevallen uitspraken, wordt de Svb gevolgd in zijn vaststelling dat in dit geval de Nederlandse nationaliteit van appellant en zijn inschrijving in de toenmalige GBA onvoldoende zijn om ingezetenschap aan te nemen. Bij het huisbezoek van de medewerkers van de deelgemeente Delfshaven in 2013 aan het adres in [gemeente] waarop appellant in de GBA was ingeschreven, is geconstateerd dat het adres werd bewoond door niet op dat adres in de GBA ingeschreven personen. Om dit adres niettemin als zelfstandige woonruimte van appellant aan te merken ontbreken enige verdere aanwijzingen. Op basis van de stempels in de paspoorten van appellant kan niet ondubbelzinnig worden vastgesteld waar appellant woont. Uit deze stempels blijkt dat appellant in ieder geval vanaf 2011 frequent langdurig in Marokko verbleef. Over 2013 wijzen deze stempels enerzijds op een langdurig verblijf van appellant in 2013 in Marokko en anderzijds op een veelvuldig reizen tussen beide landen. Anders dan appellant heeft gesteld doet aan dit beeld niet af dat het aantal dagen van verblijf in Marokko – voor zover dit uit de paspoortstempels is af te leiden – lager is dan het resterende aantal dagen in dat jaar.

4.4.

Voor de vaststelling van de woonplaats van appellant is verder van belang dat appellant in zijn verklaring van 27 september 2013 heeft aangegeven dat hij niet gescheiden van zijn vrouw leeft, geen familie in Nederland heeft, wel diverse familieleden in Marokko heeft, geen lid van een vereniging is of soortgelijke bezigheden heeft in Nederland en dat hij in het bezit is van een koopwoning in Marokko. Aan het belang van deze verklaring doet niet af dat appellant in de latere verklaring van 21 november 2013 heeft gesteld dat hij geen eigen huis of huurwoning in het buitenland heeft. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de tegenstrijdigheid van de verklaringen van appellant afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van wat appellant over de woonsituatie heeft verklaard. Op basis van deze door appellant verstrekte gegevens is aannemelijk dat appellant vanaf de peildatum van het tweede kwartaal van 2013 niet langer een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had, behoudens door appellant aan te dragen feiten of omstandigheden waaruit blijkt van het tegendeel.

4.5.

Appellant is er niet in geslaagd feiten of omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt van het tegendeel van de hiervoor gedane vaststelling. De omstandigheid dat appellant vanaf 1997 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft ontvangen en dat hij geldstortingen en -opnames heeft gedaan en in 2013 en 2014 in Nederland afspraken had met de verhuurder, de Svb, het Juridisch Loket en zijn advocaat zijn daarvoor onvoldoende. Wat betreft de geldstortingen is daarbij van belang dat uit de bewijzen die appellant daarvan heeft overgelegd niet is af te leiden of appellant zich ten tijde van de stortingen daadwerkelijk in Nederland bevond.

4.6.

Voorts is tussen partijen in geschil of appellant over het tweede en derde kwartaal van 2014 verzekerd was voor de AKW op grond van ingezetenschap.

4.7.

Appellant heeft in dit verband geen andere omstandigheden aangevoerd dan die hij heeft aangevoerd in de procedure tegen aangevallen uitspraak 1. Van een wijziging van de woonsituatie van appellant en zijn kinderen is eerst sprake in het najaar van 2014. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant geen omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan op de peildata van het tweede en derde kwartaal van 2014 alsnog ingezetenschap zou moeten worden aangenomen. Evenals de rechtbank en de Svb hebben vastgesteld en anders dan appellant heeft betoogd wordt niet toegekomen aan de vraag of appellant voldoende heeft bijgedragen in het onderhoud van de kinderen.

4.8.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.7 volgt dat in aangevallen uitspraak 1 terecht is geoordeeld dat appellant met ingang van het tweede kwartaal van 2013 niet verzekerd is voor de AKW en in aangevallen uitspraak 2 is terecht geoordeeld dat appellant in het tweede en derde kwartaal van 2014 niet verzekerd was voor de AKW. De aangevallen uitspraken dienen daarom te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) B. Dogan

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de kring van verzekerden en over het begrip ingezetene.

TM