Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
12/6454 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een verplichting tot betaling van wettelijke rente bestaat op grond van het derde lid van artikel 4:102 van de Awb alleen niet in gevallen waarin een betrokkene onjuiste en of onvolledige gegevens heeft verstrekt en als gevolg daarvan een bestuursorgaan een besluit heeft genomen dat later gewijzigd of ingetrokken moet worden, als de juiste gegevens bekend zijn geworden. Een zodanige situatie is in dit geval gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de Svb op grond van artikel 4:102 van de Awb verplicht is tot vergoeding van wettelijke rente over de betalingen van kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 1996 aan appellant. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Herroept de besluiten van 27 juli 2011 en 15 december 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/220
USZ 2018/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6454 AKW

Datum uitspraak: 26 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 november 2012, 11/6241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Kaouass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2015. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

Het onderzoek in deze zaak is vervolgens heropend. Naar aanleiding van een vraag van de Raad hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 maart 2018. Partijen zijn daarbij, met kennisgeving, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant woont in Marokko en ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Tot en met het eerste kwartaal van 1996 heeft appellant kinderbijslag ontvangen van de Svb. De betaling van kinderbijslag is met ingang van het tweede kwartaal van 1996 gestaakt, omdat appellant mogelijk niet langer verzekerd was ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Svb heeft appellant daarover geïnformeerd bij brief van 30 januari 1997. De WAO-uitkering van appellant was aanvankelijk per 1 maart 1994 opgeschort en na de beëindiging van de opschorting is de uitkering per 16 juli 1998 herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 26 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0577, heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de WAO-uitkering van appellant vanaf 16 juli 1998 herzien en ongewijzigd vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3.

Appellant heeft de Svb bij brief van 22 december 2008 verzocht om met terugwerkende kracht alsnog kinderbijslag toe te kennen. De Svb heeft aanvankelijk afwijzend op dit verzoek beslist. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2010 is de Svb opgedragen een nieuw besluit te nemen over de ingangsdatum van de aanspraak op kinderbijslag.

1.4.

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft de Svb bepaald dat appellant recht heeft op kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 2009. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 11 oktober 2011 nader bepaald dat appellant vanaf het tweede kwartaal van 1996 recht heeft op kinderbijslag.

1.5.

Bij besluit van 27 juli 2011 is de wettelijke rente in verband met de late uitbetaling van de kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 2009 vastgesteld op € 6.853,-. Vervolgens heeft de Svb bij besluit van 15 december 2011 de wettelijke rente in verband met de late uitbetaling van de kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 1996 tot en met het eerste kwartaal van 1998 vastgesteld op € 1.059,02.

1.6.

Bij besluit van 1 december 2011 is het bezwaar gericht tegen het besluit van 27 juli 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep aangemerkt als mede gericht tegen het besluit van

15 december 2011. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de wettelijke rente ten onrechte is berekend met ingang van 18 februari 2009. De wettelijke rente dient volgens appellant te worden berekend met ingang van het tweede kwartaal van 1996.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat de ingangsdatum van de wettelijke rente, over het in 2011 aan appellant betaalde bedrag aan kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1996 tot en met het eerste kwartaal van 2009, terecht is vastgesteld op 18 februari 2009.

4.2.

Ten aanzien van dit geschilpunt wordt voorop gesteld dat in artikel 4:102 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanaf 1 juli 2009 het volgende is bepaald:

1. Indien een betaling aan het bestuursorgaan is geschied op grond van een beschikking die in bezwaar of in beroep is gewijzigd of vernietigd, is het bestuursorgaan over de termijn tussen de betaling en de terugbetaling wettelijke rente verschuldigd over het te veel betaalde bedrag.

2. Indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, is het bestuursorgaan wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven.

3. Wettelijke rente is niet verschuldigd voor zover de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan de belanghebbende is toe te rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling met terugwerkende kracht wijzigt of intrekt.

Voorts is in artikel III, eerste lid, van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb

(Stb. 2009, 264) bepaald dat op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan – die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet – het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing is.

4.3.

Nu de Svb bij besluiten van 5 juli 2011 en 11 oktober 2011 heeft vastgesteld dat appellant recht heeft op kinderbijslag van het tweede kwartaal van 1996 tot en met het eerste kwartaal van 2009, moet geconcludeerd worden dat uit die besluiten voor de Svb een betalingsverplichting jegens appellant voortvloeit. Nu deze betalingsverplichting is vastgesteld en ontstaan na het tijdstip van inwerkingtreding van de hiervoor genoemde Wet van 25 juni 2009, moet geconcludeerd worden dat artikel 4:102 van de Awb van toepassing is.

4.4.

Voor zover de bestuursrechter geroepen wordt een oordeel te geven over gestelde schade die is geleden in een bestuursrechtelijke betrekking, wordt volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4083) overeenkomstige toepassing gegeven aan de Afdelingen 10 en 11 van Titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Met de invoering van Afdeling 4.4.2 van de Awb heeft de wetgever specifiek voor de vaststelling van schadevergoeding die is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom een eigenstandige regeling in de Awb opgenomen, waarbij in artikel 4:102 van de Awb een regeling is gegeven voor de situatie dat een betalingsverplichting ontstaat van een bestuursorgaan jegens een belanghebbende als gevolg van een wijziging of een vernietiging van een beschikking.

4.5.

De Svb heeft bij besluit van 11 oktober 2011 de beëindiging van kinderbijslag over het tweede kwartaal van 1996 herzien, omdat nader is gebleken dat appellant toen wel verzekerd was ingevolge de AKW. De aanspraak op kinderbijslag wordt op grond van de AKW in beginsel per kwartaal vastgesteld. Ten aanzien van kwartalen waarover de Svb nog geen expliciet besluit over de aanspraak op kinderbijslag heeft genomen kan dus niet gesproken worden van een herziening van die aanspraak. Nu in het algemeen en zeker ook in de situatie van appellant kinderbijslag wordt toegekend tot zich een relevante wijziging in de omstandigheden voordoet, moeten de besluiten van 5 juli 2011 en 11 oktober 2011 voor de toepassing van artikel 4:102 van de Awb op een lijn worden gesteld met besluiten waarbij een betalingsverplichting is ontstaan als gevolg van een wijziging van een beschikking. Dit betekent dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid van artikel 4:102 van de Awb. In de memorie van toelichting is over de betekenis van dit artikellid onder meer het volgende vermeld:

“Het vierde lid ziet op de situatie dat het bestuursorgaan, nadat een besluit waarbij een betalingsverplichting is vastgesteld formele rechtskracht heeft gekregen, met terugwerkende kracht deze betalingsverplichting in het voordeel van de burger wijzigt of intrekt. Ook zulke ambtshalve correcties kunnen leiden tot een teruggaaf van het door de burger te veel betaalde bedrag of tot een nabetaling aan de burger. Op grond van het vierde lid moet het bestuursorgaan ook in die gevallen in beginsel wettelijke rente vergoeden. De termijn waarover die rente verschuldigd is, moet met behulp van het eerste en tweede lid van dit artikel worden bepaald.

Wettelijke rente is volgens het derde lid echter niet verschuldigd voor zover het wijzigen van de betalingsverplichting wordt veroorzaakt door het feit dat de burger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel aan hem is toe te rekenen dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, waardoor de beschikking waarbij de betalingsverplichting is vastgesteld onjuist was. Het risico van een onjuiste aanvraag of van onjuiste gegevensverschaffing is daarmee voor rekening van de belanghebbende.”

4.6.

Uit de tekst van en toelichting bij artikel 4:102, vierde lid, van de Awb vloeit voort dat op grond van dit artikellid een verplichting bestaat tot het vergoeden van wettelijke rente indien besloten wordt tot wijziging of intrekking van een beschikking tot betaling met terugwerkende kracht. Deze verplichting heeft betrekking op het gehele tijdvak tussen de weigering te betalen en de nabetaling van het – achteraf bezien – verschuldigde bedrag. Een verplichting tot betaling van wettelijke rente bestaat op grond van het derde lid van artikel 4:102 van de Awb alleen niet in gevallen waarin een betrokkene onjuiste en of onvolledige gegevens heeft verstrekt en als gevolg daarvan een bestuursorgaan een besluit heeft genomen dat later gewijzigd of ingetrokken moet worden, als de juiste gegevens bekend zijn geworden. Een zodanige situatie is in dit geval gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de Svb op grond van artikel 4:102 van de Awb verplicht is tot vergoeding van wettelijke rente aan appellant. Voor het overige wordt verwezen naar wat is overwogen in de hiervoor al genoemde uitspraak van de Raad van 21 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4083).

4.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden, dat het beroep tegen het besluit van 1 december 2011 gegrond moet worden verklaard met vernietiging van dat besluit en dat de besluiten van 27 juli 2011 en

15 december 2011 herroepen moeten worden. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de verplichting tot betaling van wettelijke rente is er voldoende aanleiding om, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, te bepalen dat de Svb aan appellant de wettelijke rente dient te vergoeden over de betalingen van kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 1996. Voor de wijze waarop de Svb de rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958).

5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden in bezwaar begroot op € 501,-, in beroep op € 1.002,- en in hoger beroep op € 751,50, steeds voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 1 december 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept de besluiten van 27 juli 2011 en 15 december 2011 en bepaalt dat de Svb aan appellant wettelijke rente dient te betalen conform het overwogene in 4.7;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,50;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) B. Dogan

OS