Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
16-8111 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wuv en Wubo. Het gestelde verblijf in het residentiehuis in Bondowoso wordt niet beschouwd als vrijheidsberoving in de zin van de Wuv. Er is geen sprake geweest van internering tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode in de zin van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 8111 WUV, 16/8112 WUBO

Datum uitspraak: 26 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in de gedingen tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroepen ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 28 november 2016, kenmerk BZ01101373 (bestreden besluit 1), onderscheidenlijk kenmerk BZ01101165 (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), onderscheidenlijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1936, heeft in september 2015 bij verweerder een (samenloop)aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv dan wel de Wubo.

1.2.

Bij besluit van 6 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1, heeft verweerder de aanvraag in het kader van de Wuv afgewezen op de grond dat appellante geen vervolging heeft ondergaan. Verweerder heeft overwogen dat het gestelde verblijf in het residentiehuis in Bondowoso niet wordt beschouwd als vrijheidsberoving in de zin van de Wuv.

1.3.

Eveneens bij besluit van 6 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2, heeft verweerder de aanvraag in het kader van de Wubo afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld. In dat verband heeft verweerder overwogen dat in het geval van appellante geen sprake is geweest van internering tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode in de zin van deze wet.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

Wuv

2.1.1.

Op grond van artikel 2 van de Wuv wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

2.1.2.

Op grond van door appellante verstrekte gegevens en de bij verweerder bekende gegevens van de familieleden van appellante concludeert de Raad met verweerder dat niet

is gebleken dat appellante vrijheidsberoving heeft ondergaan als hiervoor onder 2.1.1 is omschreven. Appellante hecht veel waarde aan de verklaring van haar moeder dat zij en haar kinderen vanaf februari 1942 tot en met augustus 1945 in Bondowoso geïnterneerd zijn geweest en dat die internering is voortgezet tijdens de “Merdeka” tot en met 1947. Deze door de moeder gestelde periode van internering, voor zover van belang in het kader van de Wuv, is niet in overeenstemming met de periode waarin in Bosoworo een Japans interneringskamp aanwezig was. Een vrouwen- en kinderenkamp in Borosowo heeft bestaan van juli 1943 tot in januari 1944; nadien werden de vrouwen en kinderen overgebracht naar een kamp in Semarang. Van een dergelijk transport maakt de moeder noch een van de kinderen melding. Een zuster van appellant noemt bij haar Wuv-aanvraag in 1990 geen internering, maar bij haar verzoek medio 1995 om de afwijzing van die aanvraag te herzien stelt zij dat er wel sprake is geweest van internering. Dit verzoek om herziening is afgewezen. De broer van appellante noemt evenmin een internering. Voorts is niet gebleken dat sprake was van een verblijf onder permanente bewaking. In het sociaal rapport vermeldt appellante dat de bewoners zelf naar de markt mochten om inkopen te doen. Haar zuster stelt blijkens het sociaal rapport dat er geen Japanse bewaking was, maar dat men wel in de gaten werd gehouden. Men kon zich evenwel relatief vrij in de stad bewegen. Dit alles wijst niet op een permanente bewaking.

Wubo

2.2.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het toenmalig Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van:

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.

2.2.2.

Thans ligt de vraag voor of sprake is geweest van onder de Wubo vallende internering tijdens de Bersiapperiode. Met wat is overwogen onder 2.1.2 is immers komen vast te staan dat van internering tijdens de Japanse bezetting niet is gebleken.

2.2.3.

Tijdens de Bersiapperiode was in Bondowoso ook sprake van een loods

(republikeins kamp) waarin 440 vrouwen en kinderen werden ondergebracht die oorspronkelijk in het kamp Prigen hadden verbleven. Op grond van de door de moeder

van appellante verstrekte gegevens is, anders dan appellante heeft gesteld, niet aannemelijk dat appellante en haar familie tot deze groep hebben behoord. De verschillende sociale rapporten geven hiertoe geen aanleiding. De zuster van appellante ontkent feitelijk een verblijf in de loods. Zij stelt namelijk dat na de Japanse capitulatie “de gezinnen van de

Knil-militairen bleven in de huizen wonen waar ze al zaten”. Van een internering tijdens de Bersiapperiode is dan ook niet gebleken.

Conclusie

2.3.

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

LO