Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
16/6081 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6385, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Onvoldoende feitelijke grondslag. In dit geval bestrijken de (reis)gegevens een periode van bijna een jaar, die volledig is gelegen na de controle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6081 WSF

Datum uitspraak: 2 mei 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2016, 15/4793 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.W.J. van der Meer, advocaat, een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene stond vanaf 12 augustus 2014 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] (brp-adres).

1.2.

Betrokkene heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 september 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is in 2015 voortgezet.

1.3.

Op 18 februari 2015 hebben twee controleurs in opdracht van appellant onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.4.

Bij besluit van 13 maart 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 25 juni 2015 (bestreden besluit), heeft appellant op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van 1 september 2014 herzien, in die zin dat betrokkene vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 1.208,70 van hem teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 13 maart 2015 herroepen. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek onvoldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet woonde op het brp-adres.

3.1.

Appellant heeft, onder verwijzing naar aanvullend bewijs in de vorm van reisgegevens, in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de herziening geen stand kan houden.

3.2.

Betrokkene heeft, voor zover hier van belang, naar voren gebracht dat het onder 1.3 vermelde rapport afkomstig is van onbevoegde controleurs, zodat dit van het bewijs dient te worden uitgesloten. Van de in hoger beroep overgelegde reisgegevens heeft betrokkene gesteld dat deze in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn opgevraagd. Voor het opvragen en de verstrekking van de gegevens was toestemming van betrokkene nodig. De schending van de privacy moet ook leiden tot schadevergoeding.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellant heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde herziening gebaseerd op de bevindingen van een onderzoek naar de woonsituatie van betrokkene. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs in opdracht van een privaat bedrijf waarvan de daar werkzame personen ingevolge een aanwijzingsbesluit belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. De minister heeft verklaard dat deze twee controleurs het onderzoek hebben verricht als zelfstandige zonder personeel en als payroller.

4.2.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.

4.3.

In zijn uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, heeft de Raad overwogen dat met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het uitoefenen van het onder 4.2 genoemde toezicht, de grens van wat nog aanvaardbaar is, is bereikt. Niet kan worden aanvaard dat private bedrijven dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) uitbesteden aan een derde. In zijn uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186, heeft de Raad dit oordeel herhaald en nader gemotiveerd. Uit deze uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur – zijnde een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij een eerder bedoeld privaat bedrijf werkzaam is, maar voor dat bedrijf op andere basis werkzaamheden verricht – als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.4.

Nu het onderzoek in deze zaak is verricht door onbevoegde controleurs zijn de bevindingen van het onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar. Dit betekent dat het bestreden besluit niet zijn grondslag kan vinden in de bevindingen van het onderzoek.

4.5.

Wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 brengt mee dat de herziening van de aan betrokkene toegekende studiefinanciering uitsluitend nog is gebaseerd op zijn reisgegevens. Deze gegevens hebben betrekking op de periode 9 maart 2015 tot en met 10 februari 2016. Beginpunt en eindpunt van de reizen zijn daarbij met codes vermeld. De gegevens zijn beperkt tot vermelding van de eerste check-in op een dag en de laatste check-out op die dag.

4.6.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:269, kunnen reisgegevens als (aanvullend) bewijs bruikbaar zijn, maar zullen deze slechts in bijzondere omstandigheden als enig bewijs kunnen dienen. De op te vragen gegevens moeten in dat geval, gelet op het doel waarvoor ze worden opgevraagd en om voor gevallen als deze voldoende bewijskracht te hebben, in beginsel betrekking hebben op de controledatum en de daarvóór gelegen periode en kunnen, bijvoorbeeld indien dat nodig is om een betrouwbare analyse te kunnen maken van de reisbewegingen, ook betrekking hebben op een korte periode daarna. Dat laatste zal zich alleen kunnen voordoen wanneer de studerende ook in die periode in de brp staat ingeschreven onder het gecontroleerde adres.

4.6.2.

In dit geval bestrijken de gegevens een periode van bijna een jaar, die volledig is gelegen na de controle. Voor afwijking van het in 4.6.1 genoemde beginsel zijn geen omstandigheden aanwezig. Reeds hierom komt aan deze gegevens geen bewijskracht toe.

4.7.

Nu de reisgegevens geen grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat betrokkene niet woonde op het adres waaronder hij in de brp stond ingeschreven berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

4.8.1.

Wat hiervoor is overwogen, betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gelet op wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

4.8.2.

Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Zoals volgt uit de onder 4.6 genoemde uitspraak, is het opvragen van reisgegevens in een geval als het voorliggende niet onrechtmatig. De beweerdelijk door betrokkene geleden immateriële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking. Dat hij – ook – anderszins schade heeft geleden, heeft betrokkene niet gesteld.

5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 503,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen

UM