Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
16/3921 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

16 3921 WIA

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

3 juni 2016, 16/386 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgeefster] te [gemeente] (werkgeefster)

Datum uitspraak: 2 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werkgeefster heeft mr. A.H.M. Booijink, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.C. Geldof. Werkgeefster is – met voorafgaand bericht – niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 9 november 2005 door een val van een ladder uitgevallen voor zijn werk

als medewerker van de laklijn voor 40 uur per week bij werkgeefster. Bij besluit van

15 oktober 2007 heeft het Uwv bepaald dat voor appellant recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 7 november 2007. De mate van arbeidsongeschiktheid is hierbij vastgesteld op 100%. Bij besluit van 22 december 2010 is appellant per 7 november 2010 wegens een aangenomen ernstige psychische stoornis in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering.

1.2.

Op 29 september 2014 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Het Uwv heeft aanleiding gezien voor nader onderzoek van appellant door psychiater

P.J.H. Notten. In zijn rapport van 25 november 2014 is Notten, op basis van het

onderzoek dat hij op 28 oktober 2014 bij appellant heeft verricht, tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van objectiveerbare psychiatrische functiestoornissen of aantoonbare cognitieve functiestoornissen. Evenmin is sprake van een persoonlijkheidsstoornis of gedecompenseerd toestandsbeeld. De psychiater kan geen DSM diagnose stellen. De verzekeringsarts heeft appellant nogmaals gezien op 15 december 2014 en in zijn rapport van 24 februari 2015 (onder meer) geconcludeerd dat er momenteel geen relevante medische beperkingen zijn voor het verrichten van gangbare arbeid. Er is geen sprake van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Dit is vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 januari 2015.

1.3.

Bij besluit van 26 juni 2015 heeft het Uwv het besluit van 15 oktober 2007 ingetrokken en bepaald dat voor appellant met ingang van 7 november 2007 geen recht op WGA-uitkering meer bestaat. Bij beslissing op bezwaar van 15 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de WIA-uitkering van appellant ingetrokken per 1 juli 2015 (datum in geding) op de grond dat bij appellant geen beperkingen door ziekte of gebrek zijn vast te stellen. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 januari 2016 ten grondslag. Daarin is verwoord dat uit het rapport van de geraadpleegde psychiater naar voren komt dat op het moment van zijn onderzoek geen sprake was van invaliderende psychopathologie. Wat de actuele belastbaarheid betreft, kan op grond van de conclusies bij het verrichte uitgebreide psychiatrische onderzoek door Notten als een ter zake kundige specialist en het ontbreken van geobjectiveerde lichamelijke afwijkingen bij het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts worden geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant juist is weergegeven in de FML van 8 januari 2015. Voor het aannemen van beperkingen ontbreekt iedere medische grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen en onjuist is, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding op 80 tot 100% moet worden vastgesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

3.3.

Werkgeefster heeft te kennen gegeven het oordeel van de rechtbank te onderschrijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden volgens de daaraan te stellen eisen. De verzekeringsarts heeft dossierstudie, lichamelijk en psychisch onderzoek verricht, er is een psychiatrische expertise gevraagd die in de beoordeling is betrokken en er is dossierstudie verricht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die ook de hoorzitting heeft bijgewoond en appellant heeft geobserveerd. Het betoog ter zitting dat de verzekeringsartsen informatie hadden moeten inwinnen bij de huisarts van appellant slaagt niet. Gelet op vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) mag een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel afgaan en is inwinnen van informatie bij de behandelend sector alleen dan noodzakelijk als behandeling is ingezet of zal worden ingezet en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden of als de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over medische beperkingen. Die situaties doen zich hier niet voor. De verzekeringsarts en de geraadpleegde psychiater hebben informatie van appellant gekregen inhoudende dat hij inmiddels niet meer onder psychiatrische behandeling was en laatstelijk in de periode van 2010 tot 2012 laagfrequent contact had onderhouden met I-Psy. Ter zitting is bevestigd dat deze informatie juist is.

4.2.

De rechtbank heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding onjuist heeft ingeschat. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd dat appellant op de datum in geding geen medische beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid, gelet op de bevindingen van de verzekeringsartsen in samenhang met het rapport van psychiater Notten. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel, terwijl voor de stelling van appellant dat hij beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid ook verder geen onderbouwing is te vinden in de gedingstukken die zien op de datum in geding. Niet wordt gevolgd dat meer gewicht had moeten worden toegekend aan een rapport van klinisch neuropsycholoog

L.C.C.F. Vanbrabant dat zich reeds onder de gedingstukken bevond. Dit rapport dateert van

24 november 2006, ziet niet op de datum in geding en is uitgebracht in het kader van een letselschadezaak. In het rapport is bovendien nadrukkelijk vermeld dat het rapport tijdgevoelige informatie bevat en dat de gegevens maar een beperkte geldigheidsduur hebben.

4.3.

De rechtbank is dan ook op goede gronden tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 juli 2015 terecht is vastgesteld op minder dan 35%, waardoor appellant per die datum geen recht meer heeft op een

WIA-uitkering.

5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, moet het verzoek om vergoeding van schade worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.P.W. Jongbloed

OS