Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
16/3652 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekmeldingen.Na eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige. Herhaling gronden in hoger beroep. Ook de in hoger beroep ingediende medische gegevens doen de Raad niet twijfelen aan het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ... ingenomen standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/3652 ZW en 16/4771 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

12 april 2016, 15/6032 (aangevallen uitspraak I) en 15 juni 2016, 16/606 (aangevallen uitspraak II).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.A.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk tot 16 april 2013 voor 40 uur per week werkzaam geweest als metaalbewerker. Het dienstverband is per 16 april 2013 geëindigd en aansluitend is aan appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Op 8 april 2014 heeft hij zich ziek gemeld met buik- en maagklachten. Tevens heeft appellant oogklachten, een verhoogde bloeddruk en diabetes mellitus. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 18 februari 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 februari 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 82,68% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 16 maart 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 8 mei 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 juli 2015 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

Het Uwv heeft appellant per 8 mei 2015 wederom in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant heeft zich op 21 september 2015 opnieuw ziek gemeld met beenklachten links en al langer bestaande tinnitus. Daarnaast spelen ook de eerder gemelde lichamelijke- en psychische klachten. In verband hiermee heeft hij op 23 oktober 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 26 oktober 2015 geschikt geacht voor minstens een van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2015 vastgesteld dat appellant per

26 oktober 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 december 2015 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 november 2015 ten grondslag.

2.1.

De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak I het beroep van appellant tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding wordt gezien te oordelen dat appellant ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank heeft voorts, onder verwijzing naar de in beroep door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediende rapporten van 14 november 2015 en 17 februari 2016, de juistheid van de medische grondslag van bestreden besluit I onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsartsen bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant de aanwezige psychische problematiek bij hun beoordeling hebben betrokken en diverse beperkingen op psychisch gebied hebben aangenomen. De door appellant in beroep ingediende brief van de GZ-psycholoog C. Dedei van 28 oktober 2015 levert naar het oordeel van de rechtbank niet meer op dan een bevestiging van de door de artsen vastgestelde psychische problematiek. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de overige in beroep ingediende informatie van behandelaars evenmin aanleiding geeft voor het oordeel dat de verzekeringsartsen op de datum in geding de beperkingen van appellant hebben onderschat. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat geen aanleiding bestaat om vanuit energetisch of preventief oogpunt een urenbeperking aan te nemen, in twijfel trekken. Vervolgens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 december 2015 overwogen dat op deugdelijke wijze is gemotiveerd waarom de functies de grenzen van de vastgestelde belastbaarheid niet overschrijden. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregel uurloonschatting 2008 de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de juiste reductiefactor heeft gehanteerd bij de functie productiemedewerker textiel. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank zich met juistheid op het standpunt gesteld dat appellant per 7 april 2015 meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen, zodat terecht is vastgesteld dat het recht op een ZW-uitkering is geëindigd.

2.2.

De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak II het beroep van appellant tegen het bestreden besluit II eveneens ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat de in het kader van de EZWb geduide functies als maatgevende arbeid moeten worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek door de artsen van het Uwv onzorgvuldig of onvolledig te achten. Tevens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de FML en het daaraan ten grondslag liggend medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist te achten. De rechtbank verwijst, voor de motivering van haar oordeel over de medische grondslag van bestreden besluit II, naar de motivering opgenomen in aangevallen uitspraak I. In aanvulling hierop heeft de rechtbank overwogen dat de in beroep overgelegde brief van NOAGG van 18 januari 2016 geen informatie bevat die aanleiding zou moeten zijn voor een ander oordeel. Ook de ter zitting aangevoerde tinnitusklachten geven deze aanleiding niet nu deze klachten naar het oordeel van de rechtbank door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de heroverweging zijn betrokken en voor deze arts aanleiding zijn geweest om de functie van productiemedewerker minder geschikt te achten voor appellant. Ook wat betreft de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit II heeft de rechtbank geen aanleiding gezien aan de juistheid hiervan te twijfelen. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank eveneens naar de gegeven motivering in aangevallen uitspraak I.

3.1.

In de hoger beroepen heeft appellant in essentie gelijke gronden aangevoerd als in de procedures bij de rechtbank. Samengevat heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv, tijdens de heroverweging in bezwaar tegen bestreden besluit I, de hoorplicht heeft geschonden. Voorts hebben de artsen van het Uwv de ernst van de psychische problematiek onderschat. Vooral de diagnoses van NOAGG: depressieve stoornis, eenmalig, ernstig en angststoornis zijn onvoldoende vertaald in de FML. Vervolgens heeft appellant gesteld dat ten onrechte geen urenbeperking op energetische gronden is aangenomen. Hierbij is naar het standpunt van appellant aan het bestaan van de tinnitusklachten en aan de uit de psychiatrische stoornis voortvloeiende slaapproblematiek onvoldoende aandacht gegeven. Ter motivering van zijn standpunten heeft appellant nadere informatie van zijn huisarts en GZ-psycholoog ingediend.

3.2.

Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 maart 2018, bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak I

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat appellant ten onrechte niet in bezwaar is gehoord. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel heeft gewijd worden volledig onderschreven.

4.3.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken nu het onderzoek bij de rechtbank geschorst is en het Uwv in de gelegenheid is gesteld alsnog een medisch onderzoek bij appellant te verrichten. Met het Uwv wordt geoordeeld dat de opdracht van de rechtbank om alsnog een medisch onderzoek bij appellant te verrichten niet berust op een onzorgvuldig onderzoek in bezwaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant toen weliswaar niet zelf onderzocht, maar heeft dossieronderzoek verricht en had daarbij naast informatie van de verzekeringsarts ook informatie van de behandelend GZ-psycholoog tot zijn beschikking. De opdracht van de rechtbank vond zijn oorsprong, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, in de in beroep ingediende medische informatie van onder meer

GZ-psycholoog Dedei werkzaam bij NOAGG van 28 oktober 2015. Het nadere onderzoek heeft vervolgens niet geleid tot herroeping van het primaire besluit of tot een relevante wijziging van het standpunt van het Uwv. De beroepsgrond slaagt niet.

4.4.

Ter zitting is door appellant wederom stellig naar voren gebracht dat zijn psychische klachten en de daardoor veroorzaakte beperkingen zijn onderschat. Appellant vindt voor zijn standpunt steun in met name informatie van de GZ-psycholoog Dedei die in zijn rapport van 28 oktober 2015 concludeert dat appellant een depressieve stoornis, eenmalig, ernstig heeft en daarnaast een angststoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 14 november 2015 en 5 maart 2018 echter inzichtelijk gemotiveerd waarom de informatie van GZ-psycholoog Dedei geen aanleiding geeft om appellant op de datum in geding meer beperkt te achten op de aspecten persoonlijk en sociaal functioneren. Er wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.5.

Van belang wordt geacht dat de verzekeringsarts appellant op 18 februari 2015 op het spreekuur heeft gesproken en hem zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht. Bij dit onderzoek had de verzekeringsarts de beschikking over informatie van GZ-psycholoog Overbeek die in haar rapport van 6 november 2014 stelt dat sprake is van een depressie NAO en een paniekstoornis. Rekening houdende met deze informatie en de door appellant aangegeven (psychische) klachten heeft de verzekeringsarts diverse (psychische) beperkingen bij appellant vastgesteld en beschreven in de FML van 18 februari 2015. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht en de in bezwaar naar voren gebrachte gronden heroverwogen.

4.6.

Uit wat hiervoor is overwogen blijkt dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de psychische belastbaarheid van appellant, uitgaande van informatie van de behandelend sector en hun eigen onderzoeksbevindingen, rekening hebben gehouden met de door appellant ervaren klachten en beperkingen. De informatie van de GZ-psycholoog onderbouwt in onvoldoende mate de noodzaak voor het aannemen van meer beperkingen dan reeds door de artsen van het Uwv is opgenomen in bovengenoemde FML.

4.7.

Er wordt daarom geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een deskundige.

4.8.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Aangevallen uitspraak II

4.9.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.10.

. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.11.

Daar wordt het volgende aan toegevoegd. Ook de in hoger beroep ingediende medische gegevens doen de Raad niet twijfelen aan het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in zijn rapport van 14 november 2015, ingenomen standpunt. Rekening houdende met appellants klachten waarbij wordt gekeken naar zowel de langer bestaande klachten als de klachten waarop de ziekmelding per 21 september 2015 is gebaseerd, namelijk beenklachten links, wordt appellant geschikt geacht voor de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding. De fysieke belasting in deze functie is laag en overschrijdt de belastbaarheid van appellant niet.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.11 leiden tot de conclusie dat de beide hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) L. Boersma

OS