Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
16/2293 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellante geen recht meer op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen overschrijding belastbaarheid. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2293 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
26 februari 2016, 15/6085 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Kamphuis, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere medische stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kamphuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als activiteiten- en woonbegeleidster. Op
16 september 2013 heeft zij zich ziek gemeld met schouder- en armklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 augustus 2014 vastgesteld dat appellante per
16 oktober 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als activiteiten- en woonbegeleidster, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het tegen dit besluit door appellante ingestelde bezwaar is bij besluit van 4 december 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

1.3.

Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellante heeft zich op 8 januari 2015 opnieuw ziek gemeld met toegenomen polsklachten. In verband hiermee heeft zij op 20 maart 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante op basis van zijn onderzoeksbevindingen toegenomen beperkt geacht. Het draaien van de polsen wordt niet meer mogelijk geacht en het werken met de muis sterk beperkt. Op verzoek van de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige onderzoek verricht naar de medische geschiktheid van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Uitgaande van de toegenomen beperkingen en na nader overleg met de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat appellante de in het kader van de EZWb geselecteerde functies van telefonist/receptionist (SBC code 315120) en besteller post/pakketten (SBC code 282102) kan verrichten. De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur van 3 juli 2015 gezien en haar per 6 juli 2015 hersteld verklaard. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van
3 juli 2015 vastgesteld dat appellante per 6 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek niet zo zorgvuldig is gedaan als verwacht mocht worden. Ten onrechte hebben de artsen van het Uwv geen medische informatie bij de behandelend chirurg opgevraagd. Voorts wordt ten onrechte door de artsen van het Uwv gesteld dat het dragen van een polsbrace niet resulteert in een toename van bewegingsbeperking. De rechtbank en het Uwv zijn voorbij gegaan aan de diagnose fibromyalgie en het feit dat sprake is van degeneratieve artrose. Tot slot heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de inhoud van de functie receptionist/telefonist niet ter discussie kan staan nu deze functie in rechte vaststaat. Appellante is van mening dat het ondenkbaar is dat in deze functie, de enig overgebleven functie, nooit langer dan vijf minuten aaneengesloten muis- en toetsenbordwerk zal plaatsvinden. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft appellante diverse medische stukken in het geding gebracht.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Voorts heeft het Uwv meegedeeld dat appellante zich, vanuit een Werkloosheidswet-situatie, in verband met een operatie, op
7 september 2015 weer heeft ziek gemeld en dat zij de wachttijd van 104 weken heeft volgemaakt. Tevens heeft het Uwv stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat bij besluit van 17 augustus 2017 appellant per 4 september 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is geweigerd omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het tegen dit besluit door appellante ingediende bezwaar is ongegrond verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verzekeringsarts Jacobs appellante tweemaal op het spreekuur heeft gezien, namelijk op
20 maart 2015 en 3 juli 2015. Voorts wordt in aanmerking genomen dat deze arts bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante naast zijn bevindingen uit eigen onderzoek tevens de beschikking had over de in het kader van de EZWb opgestelde medische rapporten en de door appellante ingediende medische informatie. Vervolgens wordt van belang geacht dat verzekeringsarts bezwaar en beroep Hebly appellante eveneens op het spreekuur heeft gezien en haar zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht. Tot slot wordt in het kader van de zorgvuldigheid van belang geacht dat deze arts in (hoger) beroep inhoudelijk heeft gereageerd op de door appellante aangevoerde gronden en ingediende medische stukken.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad vervolgens van oordeel dat er geen redenen bestaan om aan de juistheid van het medisch oordeel, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, te twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, zo blijkt uit het rapport van

31 juli 2015, dossieronderzoek verricht en appellante uitgebreid gesproken over haar klachten, de behandeltrajecten en haar dagbesteding. Vervolgens heeft deze arts appellante onderzocht en heeft hij, rekening houdende met de diagnose distale radio‑ulnaire artrose en fibromyalgie, inzichtelijke gemotiveerd waarom geen aanleiding wordt gezien appellante meer beperkt te achten dan door de verzekeringsarts is gedaan. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in zijn rapporten van 23 december 2015 en 26 januari 2016 overtuigend gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat appellante tussen 6 juli 2015 en 7 september 2015 doorlopend ongeschikt voor haar arbeid te achten en voorts waarom het dragen van een polsbrace, in de situatie van appellante, geen reden is voor het aannemen van meer beperkingen.

4.4.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd kan evenmin leiden tot het oordeel dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist geacht moet worden. Deze arts heeft in zijn rapport van 7 juni 2016, daarbij ingaande, op de in hoger beroep aangevoerde gronden en ingediende medische stukken, overtuigend gemotiveerd waarom geen aanleiding wordt gezien appellante op de datum hier in geding meer beperkt te achten dan aangenomen. Van belang wordt geacht dat, anders dan appellante stelt, bij de beoordeling van de belastbaarheid de diagnosen fibromyalgie en artrose en het gebruik van een brace betrokken zijn. Dat de artrose een degeneratief proces betreft wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet ontkend, maar op basis van zijn onderzoeksbevindingen heeft deze arts geconcludeerd dat in juli 2015 het proces nog niet dusdanig gedegenereerd was dat dit tot het aannemen van meer beperkingen moet leiden.

4.5.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of appellante, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, terecht in staat geacht wordt tot het verrichten van de functie receptionist/telefonist.

4.5.1.

Appellante heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat haar belastbaarheid in de functie van receptionist/telefonist wordt overschreden. Het is, zo stelt appellante in hoger beroep, ondenkbaar dat in deze functie nooit langer dan 5 minuten aaneengesloten muis- en toetsenwerk zal plaatsvinden. Appellante acht zich, mede gelet op het gebruik van een polsbrace, hiertoe niet in staat.

4.5.2.

In zijn uitspraak van 25 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3086, heeft de Raad, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van de Raad, overwogen uit te gaan van de juistheid van de in het CBBS systeem opgenomen gegevens, tenzij hij wordt overtuigd van het tegendeel. Namens appellante zijn in hoger beroep geen gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de functiebelasting van de functie receptionist/telefonist, zoals beschreven in de resultaat functiebeoordeling, niet overeenkomt met de werkelijkheid.

4.5.3.

Voorts wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in zijn rapport van 7 juni 2016, heeft gemotiveerd waarom appellante rekening houdende met haar beperkingen in staat geacht kan worden deze functie te vervullen. In deze functie wordt niet volcontinue met twee handen en alle vingers aan een toetsenbord doorgewerkt om te voldoen aan productienormen. De functie bestaat voor 30% uit administratieve werkzaamheden, de overige 70% bestaat uit het bedienen van de telefooncentrale, het sorteren en verzendklaar maken van post en het ontvangen van bezoekers. Dat relativeert de belasting van de pols. Ook dient, zo stelt deze arts, niet vergeten te worden dat de vingers van appellante kunnen bewegen en zich aan een toetsenbord geen specifieke polsbelasting voordoet in de zin van schroefbewegingen, supinaties en pronaties met kracht of grote uitslagen.

4.5.4.

Uitgaande van de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid wordt geoordeeld dat appellante per 6 juli 2015 in staat moest worden geacht de functie van receptionist/telefonist te verrichten.

4.5.5.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5.4. leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) L. Boersma

NW