Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
03-05-2018
Zaaknummer
15-4431 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Na de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:3506) is met het nieuwe besluit is geheel aan appellante tegemoetgekomen en is bepaald dat aan appellante een vergoeding wordt verleend voor de kosten verbonden aan thuisopname in verband met de causale eetstoornissen. Proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4431 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Israël (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 26 april 2018

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 12 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3506) heeft de Raad verweerder opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 23 maart 2015 (bestreden besluit) te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder op 28 december 2017, kenmerk BZ011167794, een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellante heeft bij brief van 17 januari 2018 een reactie op het nieuwe besluit gegeven.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak van 12 oktober 2017. Hij volstaat met het volgende.

1.2.

In september 2013 heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten verbonden aan een thuisopname in verband met haar eetstoornissen. Het verzoek ziet op het vergoeden van tweemaal twee uur per dag toezicht bij het nuttigen van maaltijden en daarnaast het vergoeden van de reiskosten en reistijd van één uur per keer voor de persoon die toezicht houdt, gedurende zes dagen per week. Bij het bestreden besluit is aan appellante een vergoeding toegekend voor maximaal twee uur begeleiding per dag, gedurende zes dagen per week, voor een periode van zes maanden.

1.3.

In de tussenuitspraak is overwogen dat verweerder heeft nagelaten de van de onafhankelijke deskundige verkregen algemene informatie, op grond waarvan het bestreden besluit tot stand is gekomen, voor te leggen aan een van zijn geneeskundig adviseurs om te bezien of de door deze deskundige geschetste begeleiding specifiek voldoet in de situatie van appellante. Verweerder had het aan de geneeskundig adviseur moeten laten om te bepalen of ,en zo ja in welke omvang, het begeleiden bij het nuttigen van maaltijden in het geval van appellante medisch noodzakelijk is. De Raad heeft verweerder opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

1.4.

In het ter uitvoering van de tussenuitspraak genomen nieuwe besluit van 28 december 2017 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat aan appellante een vergoeding wordt verleend voor de kosten verbonden aan thuisopname in verband met de causale eetstoornissen over de periode van 1 maart 2014 tot 1 september 2014. De vergoeding wordt verleend voor maximaal zes uur per dag (inclusief reistijd/reiskosten) tot een bedrag van NIS 100,- per uur, gedurende zes dagen per week.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met het nieuwe besluit van 28 december 2017 is geheel aan appellante tegemoetgekomen. Dit besluit wordt daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, niet in de beoordeling betrokken.

2.2.

Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit niet juist is geweest. Om die reden zal de Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

3. Er is aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die appellante in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit betreft reis-, verlet- en verblijfkosten voor het verschijnen op de zitting van 31 augustus 2017. Deze kosten worden begroot op in totaal

€ 1.173,23.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.173,23;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

RH