Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1282

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/5843 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsen van advertenties op Marktplaats.nl in het kader van handel in dieren. Op geld waardeerbare activiteiten. Hulp van derden. Voldoende feitelijke grondslag voor intrekking bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5843 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

2 augustus 2016, 15/7003 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 1 mei 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Wellen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018. Namens appellante

is mr. Wellen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.F. Widdershoven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 28 februari 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante onder meer, samen met anderen, op internet een kennel genaamd [naam kennel] heeft en honden houdt en fokt voor de verkoop, heeft de sociale recherche van de gemeente Nijmegen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, internetonderzoek verricht, gegevens van de website www.marktplaats.nl (Marktplaats) gevorderd en bankafschriften van appellante opgevraagd. Op 23 februari 2015 heeft appellante tegenover de sociale recherche een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 april 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

7 mei 2015 de bijstand van appellante met ingang van 28 februari 2014 in te trekken en de over de periode van 28 februari 2014 tot en met 28 februari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.431,76 van appellante terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 23 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2015 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat in de periode van 28 februari 2014 tot en met 28 februari 2015 via twee op naam van appellante geregistreerde e-mailadressen in totaal 35 advertenties op Marktplaats zijn geplaatst, waarbij dieren en/of toebehoren te koop zijn aangeboden met een vraagprijs van in totaal € 15.530,-. Nu appellante geen duidelijkheid kan geven over de Marktplaats-advertenties en zij evenmin een administratie heeft overgelegd, is het recht op bijstand niet meer vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering over de periode van 12 januari 2015 tot en met 28 februari 2015. De rechtbank heeft, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 7 mei 2015 voor wat betreft de intrekking over deze periode herroepen en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen over de terugvordering.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij het bestreden besluit met betrekking tot de periode van 28 februari 2014 tot en met 11 januari 2015 in stand heeft gelaten. Appellante heeft daarbij het volgende aangevoerd. Niet zij, maar haar zus [naam zus] ( [voornaam] ), heeft de door het college bedoelde advertenties – op enkele na – door middel van het e-mailadres [e-mailadres 1] op Marktplaats gezet. [voornaam] heeft dat gedaan om een in Duitsland woonachtige vriendin van beiden, [naam vriendin] ( [naam vriendin] ), te helpen met de verkoop van dieren en/of toebehoren in Nederland door het plaatsen van advertenties op Marktplaats. [naam vriendin] heeft in Duitsland een kennel en verkoopt af en toe dieren. Appellante heeft niets te maken met de (ver)koop van honden en katten. [voornaam] is ook degene die via het

e-mailadres [e-mailadres 2] advertenties op Marktplaats heeft gezet. Appellante heeft dat e-mailadres ooit wel op haar naam geregistreerd, maar zij heeft het al lange tijd niet meer in gebruik. Het wordt hoofdzakelijk gebruikt door [voornaam] . Dat blijkt uit de uitdraai van de website [website] , een informatieve website waarop

[voornaam] wordt genoemd als contactpersoon van [naam kennel] . Appellante gebruikt de computer van [voornaam] omdat zij zelf geen computer heeft. Appellante en [voornaam] weten beiden de wachtwoorden voor de beide e-mailadressen en beiden gebruiken wel eens het

e-mailadres dat normaliter bij de ander in gebruik is. Appellante heeft niet alleen een verklaring van [voornaam] , maar ook andere stukken ter onderbouwing van haar stellingen overgelegd, namelijk advertenties onder de naam van [voornaam] en de profielgegevens, het bankrekeningnummer en het telefoonnummer van [voornaam] . Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat niet alle advertenties commercieel zijn. Voor zover appellante de 38 commerciële advertenties zou hebben geplaatst, wat zij bestrijdt, zou de verkoopprijs als inkomen moeten worden aangemerkt. Verder is volgens appellante het plaatsen van advertenties geen op geld waardeerbare arbeid, alleen eventueel handel. Voor zover zij [naam vriendin] zou hebben geholpen, wat zij bestrijdt, dan is dit geen op geld waardeerbare arbeid. De potentiële kopers werden immers direct in contact gebracht met [naam vriendin] . Uit niets blijkt dat appellante direct met een potentiële koper heeft onderhandeld over de prijs, geld heeft ontvangen of een hond of kat onder zich heeft gehad. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat het college het inkomen schattenderwijs had kunnen vaststellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De periode in geding loopt in dit geval van 28 februari 2014 tot en met 11 januari 2015.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Het college heeft het besluit tot intrekking gebaseerd op het standpunt – voor zover hier van belang – dat appellante ten onrechte niet heeft gemeld dat zij op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, namelijk activiteiten met betrekking tot advertenties op Marktplaats in het kader van de handel in dieren en toebehoren.

4.4.

Niet in geschil is dat in de periode in geding in totaal 35 advertenties op Marktplaats zijn geplaatst waarbij dieren, met name rashonden en raskatten, en/of toebehoren, te koop zijn aangeboden voor prijzen variërend van € 40,- voor een Baardagaam tot € 200,- à € 750,- voor pups en kittens. Daarvan zijn 16 advertenties geplaatst via het e-mailadres [e-mailadres 1] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] ), dat op 19 maart 2013 door appellante is geregistreerd, en 19 via het e-mailadres [e-mailadres 2] (gebruikersnaam [naam kennel] ), dat op 10 december 2005 door appellante is geregistreerd. Vaststaat voorts dat de e-mailadressen hoofdzakelijk zijn gekoppeld aan hetzelfde IP-adres.

4.5.

De beroepsgrond dat niet appellante maar haar zus [voornaam] de advertenties op Marktplaats heeft geplaatst, slaagt niet. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante een substantieel deel van de advertenties zelf op Marktplaats heeft geplaatst.

4.5.1.

Appellante had, zoals niet in geschil is, in de periode in geding het e-mailadres [e-mailadres 1] in gebruik, onder andere voor de communicatie met het college. Op basis daarvan is het vermoeden gerechtvaardigd dat appellante degene is die de advertenties via dat e-mailadres op Marktplaats heeft geplaatst. Het lag op de weg van appellante om dat vermoeden te ontzenuwen.

4.5.2.

Zij is daarin niet geslaagd. De enkele stelling van appellante dat niet alleen zijzelf maar ook haar zus [voornaam] van dit e-mailadres gebruik maakte, is op zichzelf niet toereikend voor de conclusie dat niet alle advertenties via dat e-mailadres door appellante zelf op Marktplaats zijn geplaatst. Appellante heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit volgt dat [voornaam] de advertenties via dit e-mailadres heeft geplaatst. De door appellante overgelegde profielgegevens van [voornaam] en haar bank- en telefoonnummer zijn, ook bezien in het licht van de overgelegde e-mailcorrespondentie, in dit verband niet toereikend. Voor zover [voornaam] , die volgens appellante hoofdzakelijk het e-mailadres [e-mailadres 2] gebruikte, wel eens per abuis het e-mailadres [e-mailadres 1] gebruikte, is van betekenis dat, zoals volgt uit de verklaring van appellante, zij ook wel eens het e-mailadres [e-mailadres 2] gebruikte, zodat niet is uit te sluiten dat appellante ook via dat e-mailadres advertenties op Marktplaats heeft geplaatst.

4.5.3.

Gezien de hoeveelheid advertenties waarvan gelet op het voorgaande aannemelijk is dat appellante die heeft geplaatst, kan buiten bespreking blijven door wie het merendeel van de advertenties via het e-mailadres [e-mailadres 2] op Marktplaats zijn geplaatst.

4.6.

Gelet op deze hoeveelheid advertenties waarbij telkens één of meer honden of katten of andere dieren en/of toebehoren te koop werden aangeboden, en in aanmerking genomen de daarbij gehanteerde verkoopprijzen, betreft het hier voorts geen advertenties in het kader van incidentele verkoop maar in het kader van een doorlopende handel in dieren en toebehoren.

4.7.

De beroepsgrond dat de handel in dieren en toebehoren werd gedreven door [naam vriendin] en dat de op Marktplaats geplaatste advertenties slechts dienden om die vriendin te helpen, slaagt evenmin.

4.7.1.

Het ligt op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat het via haar e-mailadres ter verkoop aanbieden van dieren niet (mede) ten behoeve van opbrengsten voor haarzelf was. Appellante heeft haar stelling dat het slechts de handel van [naam vriendin] betrof niet toereikend onderbouwd. De schriftelijke verklaring van 3 mei 2015 van [voornaam] dat zij [naam vriendin] hielp door advertenties op Marktplaats te zetten, is niet controleerbaar. Hetzelfde geldt voor de schriftelijke verklaring van 20 mei 2015 van [naam vriendin] dat [voornaam] haar op die wijze assisteerde. Beide verklaringen worden niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Daaraan komt daarom niet die waarde toe die appellante daaraan hecht.

4.7.2.

Het betoog van appellante dat niet is gebleken dat zij daadwerkelijk inkomsten heeft genoten, treft evenmin doel. Van betekenis is in dit verband dat voor de toepassing van de PW niet alleen relevant is of de betrokkene daadwerkelijk inkomsten heeft ontvangen, maar tevens of de betrokkene werkzaamheden heeft verricht waar normaliter een beloning tegenover staat of waarvoor redelijkerwijs een beloning kan worden bedongen. Gelet op het aantal en de structurele aard van de advertenties en de daarin vermelde vraagprijzen is dit laatste hier aan de orde.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat de rechtbank terecht in de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag aanwezig heeft geacht voor het standpunt van het college dat appellante in de periode in geding op geld waardeerbare activiteiten in het kader van de handel in dieren en toebehoren heeft verricht.

4.9.

Aan appellante had redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat die activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Door hierover aan het college geen mededeling te doen, heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.10.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellante is daarin niet geslaagd, nu enige administratie met betrekking tot de geplaatste advertenties, de reacties daarop en de opbrengst ervan ontbreekt.

4.11.

Gelet op 4.10 slaagt ook de beroepsgrond dat het college de bijstand schattenderwijs had kunnen en moeten vaststellen niet. Daartoe ontbreken de benodigde gegevens.

4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en J.L. Boxum en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) F. Demiroǧlu

sg