Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1276

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/2566 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag terecht afgewezen omdat appellant niet inzichtelijk had gemaakt hoe hij in kosten levensonderhoud had voorzien. Herhaling gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2566 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 maart 2016, 15/2843 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

Datum uitspraak: 24 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Theeuwen-Verkoeijen. Als tolk is verschenen J.P.M. Olsthoorn. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 februari 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij besluit van 22 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 januari 2014, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2013 ingetrokken. Aan het besluit van 7 januari 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij vanaf 1 augustus 2013 niet meer woonde op het door hem opgegeven adres. Bij uitspraak van 24 juli 2014 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 januari 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Bij uitspraak van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:582, heeft de Raad de uitspraak van 24 juli 2014 bevestigd.

1.3.

Nadat het college diverse aanvragen van appellant om bijstand buiten behandeling had gesteld, heeft appellant zich op 16 januari 2015 opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Op 28 januari 2015 heeft hij deze aanvraag ingediend.

1.4.

Bij brief van 6 februari 2015 heeft het college appellant verzocht om vóór

21 februari 2015 gegevens over te leggen, waaronder bankafschriften van twee bankrekeningen vanaf 1 augustus 2013, bankafschriften van een derde bankrekening vanaf 30 april 2014, een schriftelijke en deugdelijke verklaring waaruit de herkomst van twee kasstortingen van € 300,- op één van deze rekeningen blijkt, een schriftelijke verklaring over zijn werkzaamheden voor Stichting [naam stichting] en deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken waaruit blijkt hoe hij in de periode vanaf 1 augustus 2013 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft niet alle gevraagde gegevens overgelegd.

1.5.

Bij brief van 9 maart 2015 heeft het college appellant verzocht vóór 26 maart 2015 de nog ontbrekende gegevens in te leveren, waaronder deugdelijke en verifieerbare gegevens over de wijze waarop hij vanaf 1 augustus 2013 in zijn levensonderhoud heeft voorzien, bewijzen over betaalde huur dan wel een overzicht van zijn huurschulden en een bewijs van uitschrijving van appellant als bestuurder bij de Stichting [naam stichting] bij de Kamer van Koophandel.

1.6.

Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld omdat appellant niet alle gevraagde gegevens had overgelegd.

1.7.

Op 18 mei 2015 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 9 augustus 2015 heeft het college aan appellant bijstand toegekend met ingang

29 april 2015.

1.8.

Bij besluit van 12 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2015 gegrond verklaard op de grond dat de aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Het college heeft de aanvraag vervolgens afgewezen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de wijze waarop hij vanaf 1 augustus 2013 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hierdoor kan het recht op bijstand over de periode van 16 januari 2015 tot 26 maart 2015 niet worden vastgesteld. Over de periode van 26 maart 2015 tot 29 april 2015 had appellant geen recht op bijstand vanwege zijn verblijf in detentie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop hij in de periode in geding in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De door de kinderen van appellant verstrekte verklaringen zijn hiervoor in elk geval onvoldoende. De verklaring van de zoon is summier en vindt geen steun in objectief verifieerbare gegevens en de verklaring van de dochter heeft geen betrekking op kosten van levensonderhoud. De verklaring van appellant dat hij wordt geholpen door kennissen is op geen enkele wijze onderbouwd zodat deze verklaring voor het college niet controleerbaar is. Appellant heeft niet aan de hand van concrete en verifieerbare bewijsstukken inzichtelijk gemaakt dat er geen sprake meer is van werkzaamheden voor en inkomsten van de Stichting [naam stichting] nu deze stichting kennelijk nog steeds is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ook heeft appellant geen betalingsbewijzen of informatie over de huurachterstanden over de periode vanaf 16 september 2014 overgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld wat de stand van zaken met betrekking tot de schulden van appellant is. Gelet hierop heeft appellant onvoldoende inzicht verschaft in hoe hij in de periode onmiddellijk voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hieruit volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dat de nieuwe aanvraag om bijstand van appellant inmiddels wel is toegewezen, is voor de beoordeling van deze procedure niet van belang nu appellant bij die aanvraag blijkbaar wel een gedetailleerde verklaring van zijn zoon over zijn financiële ondersteuning heeft overgelegd en voorts duidelijkheid heeft verschaft over de huurachterstand.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij over onvoldoende middelen beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien. Appellant heeft tijdens diverse zittingen verklaard dat hij financieel in een zeer penibele situatie verkeerde. Zijn verhaal is consistent en geenszins ongeloofwaardig. Vanwege het niet kunnen betalen van de boetes heeft hij in detentie verbleven. Het college was op de hoogte van de huurachterstand en van het feit dat zijn ziektekostenverzekering is beëindigd, waardoor hij niet langer kon beschikken over de voor hem benodigde medicatie. Ook uit het huisbezoek is gebleken dat hij op een kamer woont waar alleen het hoognodige staat en dat hij niet over nieuwe/recent aangeschafte kledingstukken beschikt dan wel dat een overvloed aan etenswaren en/of verzorgingsproducten aanwezig was. Verder heeft zijn zoon verklaard dat hij appellant heeft voorzien van eten, drinken en persoonlijke verzorging. Appellant stelt dat aan hem bijstand is toegekend, terwijl hij toen geen andere informatie heeft overgelegd dan eerder door hem is gedaan. Hij heeft geen inkomsten ontvangen in verband met de Stichting [naam stichting] . Uit de stukken blijkt dat op de ondernemersrekening van deze stichting sprake is van een ongeoorloofde debetstand waardoor deze rekening niet meer kan worden gebruikt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In een geval waarin het bijstandverlenend orgaan een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling heeft gesteld en na bezwaar bij de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag heeft beslist, vangt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel aan op de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Die periode eindigt op de datum van de beslissing op bezwaar of - zo het bijstandverlenend orgaan de betrokkene met ingang van een eerdere datum bijstand heeft verleend - tot aan die eerdere datum. Het voorgaande betekent dat in dit geval de te beoordelen periode in beginsel loopt van 16 januari 2015 tot en met 12 augustus 2015. Nu appellant met ingang van 29 april 2015 weer bijstand ontvangt, loopt hier de te beoordelen periode van 16 januari 2015 tot 29 april 2015.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant gedurende zijn verblijf in detentie vanaf 26 maart 2015 geen recht had op bijstand. Tussen partijen is in geschil of appellant over de periode van 16 januari 2015 tot 26 maart 2015 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daar nog aan toe dat blijkens het verhandelde ter zitting van de rechtbank het college heeft verklaard dat de aanvraag naar aanleiding waarvan de bijstand is toegekend, is beoordeeld aan de hand van andere stukken en dat daarbij ook een rol heeft gespeeld dat het de al de zevende aanvraag van appellant betrof.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) F. Dinleyici

lo