Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
16/5788 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering uitkering. Uit de brief van het Uwv volgt dat de 12 uren die appellant kon werken zonder dat dit gevolgen voor zijn WW‑uitkering zou hebben, betrekking hadden op gewerkte uren als zelfstandige. Uit de bewoordingen had het appellant duidelijk kunnen zijn dat werkzaamheden in loondienst daartoe niet behoorden. In strijd met wat verder in de brief is gesteld heeft appellant geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden, ook niet toen hij zijn werkzaamheden naast de aanstelling bij [BV] met meer dan 12 uren per week uitbreidde. Daarmee heeft appellant het Uwv de mogelijkheid ontnomen om hem, voor zover het hem al niet duidelijk was, nogmaals voor te lichten over het aantal vrij te laten uren en de status daarvan. Boete is evenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5788 WW

Datum uitspraak: 25 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2016, 15/5761 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 19 februari 2008 werkzaam ten behoeve van [naam] h.o.d.n. [naam bedrijf] , deels als werknemer en deels als zelfstandige. Daarnaast was appellant werkzaam bij [BV] ( [BV] ) op basis van een arbeidsovereenkomst van 30 uren per week. Op 31 maart 2012 is de arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf] beëindigd. In verband met dit arbeidsurenverlies heeft appellant op 6 april 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 23 april 2012 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 april 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. De uitkering is gebaseerd op het aantal uren dat appellant gemiddeld per week als werknemer bij [naam bedrijf] werkzaam was, zijnde 8 uren. Verder is in dat besluit het volgende vermeld:

‘De 26 weken voor uw eerste werkloosheidsdag heeft u gemiddeld 12 uur per week als zelfstandige gewerkt. Zolang u in een week dit aantal uren of minder werkt, zijn er geen gevolgen voor uw WW-uitkering. U bent namelijk met deze werkzaamheden begonnen voordat u werkloos werd. Werkt u in een week wél meer dan dit aantal uren? Dan zullen wij uw uitkering verminderen met die extra uren.

Verandert het aantal uren dat u werkt? Geeft dat dan meteen door via het Wijzigingsformulier WW.’

1.3.

Uit een controle is het Uwv gebleken dat appellant niet juist had doorgegeven hoeveel uren hij per week voor [BV] had gewerkt. Bij besluit van 22 april 2015 heeft het Uwv daarom de WW-uitkering van appellant herzien over de periode van 30 april 2012 tot 15 februari 2015. Tevens heeft het Uwv over de periode van 30 april 2012 tot en met
15 februari 2015 een bedrag van in totaal € 11.242,31 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW‑uitkering van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij een tweede besluit van 22 april 2015 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 2.370,- omdat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv niet in kennis te stellen van de door hem verrichte werkzaamheden.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 24 september 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren tegen de in 1.3 en 1.4 bedoelde besluiten ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende dat beroep heeft het Uwv met betrekking tot de herziening, terugvordering en boete op 21 maart 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Het Uwv heeft de WW‑uitkering van appellant herzien over de periode van 2 december 2013 tot en met
15 februari 2015 en het terug te vorderen bedrag verlaagd en vastgesteld op € 5.432,02. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant bij het besluit van 23 april 2012 te kennen is gegeven dat zolang hij in een week niet meer werkt dan 12 uren naast zijn dienstverband van 30 uren, dit geen gevolgen zou hebben voor zijn WW‑uitkering. Hoewel dit slechts bedoeld was voor zijn werkzaamheden als zelfstandige mocht appellant er volgens het Uwv op vertrouwen dat hij de genoemde 12 uren extra ook in een dienstverband mocht werken. In week 49 van 2013 heeft appellant meer dan 12 extra uren gewerkt, zonder dat hij dit heeft doorgegeven. Aldus heeft hij het Uwv de mogelijkheid ontnomen de fout in het besluit van 23 april 2012 te corrigeren en te voorkomen dat onverschuldigd WW-uitkering werd betaald. De boete heeft het Uwv niet gewijzigd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet‑ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant in week 49 van 2013 door de overuren in loondienst bij [BV] meer dan de vrij te laten 12 uren per week heeft gewerkt. Vaststaat dat appellant hiervan geen melding bij het Uwv heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat die overuren in week 49 van invloed konden zijn op zijn uitkering en dat hij ze daarom bij het Uwv moest melden. Verder kan de rechtbank het Uwv volgen dat appellant er vanaf de overschrijding in week 49 niet meer vanuit mocht gaan dat hij naast zijn dienstverband van 30 uren per week nog 12 uren per week extra, anders dan als zelfstandige, mocht werken. Indien appellant namelijk het Uwv over zijn extra uren in week 49 had geïnformeerd, had het Uwv hem kunnen verduidelijken dat de extra 12 uren alleen als zelfstandige mogen worden gewerkt. Voor zover bij appellant sprake was van een misverstand over deze extra uren is dit vanaf week 49 aan appellants eigen nalatigheid te wijten. Gelet op het voorgaande had het appellant dus na week 49 redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat alle in loondienst gewerkte uren van invloed konden zijn op zijn uitkering en dat hij ze daarom aan het Uwv moest melden. Dat aan appellant van de zijde van het werkbedrijf van het Uwv zou zijn meegedeeld dat hij 15 uren per week extra mocht werken zonder daarvan melding te maken, acht de rechtbank niet aannemelijk. Uit de registratie bij het Uwv van verschillende contactmomenten tussen appellant en het werkbedrijf is namelijk niet van dergelijke mededelingen gebleken. Het Uwv heeft daarom bij het bestreden besluit 2 terecht de uitkering van appellant met ingang van 2 december 2013 tot en met 15 februari 2015 herzien en teruggevorderd. Ten aanzien van de boete heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de boete verder te matigen en heeft geoordeeld dat deze evenredig is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij per vergissing geen melding heeft gemaakt van de uren in week 49 van het jaar 2013. Hij heeft die week iets meer gewerkt dan de toegestane 12 uren en heeft er niet bij nagedacht dit aan het Uwv te melden. Appellant is akkoord gegaan met het feit dat hij zijn uitkering moet terugbetalen, maar niet met het feit dat zijn vrij te laten uren voor de verdere periode vervallen. Uit het besluit van 23 april 2012 volgt dat hij 12 uren per week mocht werken, zonder dat dit gevolgen zou hebben voor zijn uitkering. Appellant heeft gesteld dat hij niet in de gelegenheid is geweest om te reageren op laat door het Uwv ingebrachte stukken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft benadrukt dat appellant in week 49 van 2013 de gewerkte uren had moeten doorgeven aan het Uwv, wat hij niet heeft gedaan. Vanaf die week had het appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de vrijstelling van 12 uren alleen zag op het werk als zelfstandige en niet ook op de extra-/overuren bij [BV] . Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat appellant in meer weken meer dan 12 uren extra heeft gewerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de onderdelen 5, 8 en 11 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellant heeft geklaagd over de late inbreng van stukken door het Uwv en op het feit dat hij daardoor niet in de gelegenheid is geweest te reageren. De late inbreng van de stukken door het Uwv is echter met name veroorzaakt door de late reactie van appellant op verzoeken van het Uwv om informatie te leveren met betrekking tot de door hem verrichte werkzaamheden als zelfstandige. Appellant heeft verder, ondanks het feit dat hij in hoger beroep voldoende gelegenheid daartoe heeft gehad, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om inhoudelijk te reageren op de bedoelde, door het Uwv ingebrachte, gegevens. Deze grond slaagt dan ook niet.

4.3.

Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, is niet in geschil dat appellant in week 49 van 2013 door de overuren in loondienst bij [BV] meer dan de 12 vrij te laten uren per week heeft gewerkt en dat appellant van zijn werkzaamheden geen mededeling heeft gedaan aan het Uwv. De herziening en terugvordering van de WW‑uitkering in deze week is evenmin in geschil.

4.4.

Uit de onder 1.2 geciteerde brief van het Uwv volgt dat de 12 uren die appellant kon werken zonder dat dit gevolgen voor zijn WW‑uitkering zou hebben, betrekking hadden op gewerkte uren als zelfstandige. Uit de bewoordingen had het appellant duidelijk kunnen zijn dat werkzaamheden in loondienst daartoe niet behoorden. In strijd met wat verder in deze brief is gesteld heeft appellant geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden, ook niet toen hij zijn werkzaamheden naast de aanstelling bij [BV] met meer dan 12 uren per week uitbreidde. Daarmee heeft appellant het Uwv de mogelijkheid ontnomen om hem, voor zover het hem al niet duidelijk was, nogmaals voor te lichten over het aantal vrij te laten uren en de status daarvan.

4.5.

Het is niet gebleken dat door het Uwv aan appellant een toezegging is gedaan dat hij 15 uren per week extra mocht werken. Een onderbouwing van die stelling is door appellant niet gegeven.

4.6.

Het Uwv heeft daarom terecht en op goede gronden de uitkering herzien en teruggevorderd.

4.7.

Ten aanzien van de boete heeft appellant geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat deze evenredig is.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, als voorzitter en H.G. Rottier en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) M.A.A. Traousis

NW